Onderwijs in motion

7 februari 2011

Afgelopen week deden we de zaken bij onze opleiding eens anders dan anders. We zijn gewend te werken aan langlopende projecten (nou ja, 7 weken) en met vaste groepen. En dat hebben we even anders gedaan: groepen van 8 of 9 studenten die elkaar niet of nauwelijks kenden hebben een project van een week gedaan, onder de noemer Students in Motion (SIM). Dat leverde soms verrassende resultaten op: niet alleen studenten in motion, maar ook onderwijs in motion.

Wat organisatorische rimram vooraf: onze hogeschool is verdeeld in een aantal domeinen. Ons domein, Media, Creatie en Informatie, bestaat uit een vijftal opleidingen. Normaal gesproken zijn opleidingen onafhankelijk van elkaar, maar in dit project werd dus intensief samengewerkt. De projectgroepen werden op basis van thema en opleiding samengesteld, waardoor in ieder team verschillende opleidingen vertegenwoordigd waren – en er werd een coach toegewezen. Er was een spectaculaire kickoff op maandag (inclusief het breien van een gigantische trui) en vervolgens werden de studenten losgelaten, met als opdracht een kleine flashmob te organiseren en deze te filmen.

Deze flashmob moest een boodschap hebben, en deze boodschap moest gekoppeld zijn aan een specifiek deel van de stad Amsterdam. Om dit voor de studenten mogelijk te maken waren er een aantal ontmoetingen georganiseerd: de studenten konden kennismaken met organisaties in het stadsdeel, maar ook op bezoek gaan bij bedrijven om daar gecoacht te worden door een professional van het bedrijf. De reacties van de studenten op deze mogelijkheden waren overwegend positief – al mijn groepen gaven aan op die sessies hun idee concreter te hebben gemaakt.

Als coach was het de bedoeling je studenten in deze week driemaal te zien: bij de kickoff, op woensdag en op vrijdag. En omdat het organisatorisch lastig is om 1500 studenten tegelijkertijd in onze gebouwen te plaatsen, mocht je zelf moment en plaats kiezen. Even afgezien van het feit dat het leuk was om als docent even het openbare leven van de stad in te duiken (lees: in een café te gaan zitten), had deze werkvorm voor mij onverwachte resultaten. Het gaf mij veel energie om de studenten op deze manier te kunnen coachen, want er ontstond veel eerder dan anders een dialoog tussen coach en studenten.

Moeilijk aan te geven waar deze verbetering precies in zat, maar ik ben er van overtuigd dat het deels komt omdat deze coachingsmomenten veel minder in een organisatorisch keurslijf zaten dan normaal. Het enige voorgeschreven element was immers de timing – de aanpak en inhoud van de coaching kon je vooral van de situatie laten afhangen. Natuurlijk kun je deze vrijheid ook pakken in een ‘traditioneel’ projectsysteem, maar dan ben je toch meer begrensd door beschikbare ruimtes in het rooster en gaat er toch snel meer aandacht aan bijvoorbeeld de wijze van vergaderen.

Het enthousiasme werd voor een groot deel gedeeld door de studenten. Vooraf was er op twitter wel enige scepsis van de studenten te zien, maar het was opvallend hoe snel die stemming omsloeg. Ik ben zelf in elk geval van plan om na te denken over hoe we deze vorm van coaching op de een of andere manier in onze projecten kunnen brengen. Wellicht is het een aardig idee om in onze projecten meer te werken met tussenproducten, waar de coaching dan meer op kan worden afgestemd. Wordt vervolgd.

Wil je een indruk krijgen van de creativiteit van onze studenten? Zoek eens op Youtube op #hvasim. Veel plezier!

 

Advertenties

Laptops in het onderwijs: wel of niet?

19 maart 2010

Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: natuurlijk wel. Met laptops kun je immers je onderwijs essentieel verrijken, door bijvoorbeeld oefeningen aan te bieden. Hierover schreef ik al eerder op deze blog. Ik ben dan ook een voorstander van het gebruik van laptops.

Neemt niet weg dat ik graag even een kanttekening wil plaatsen bij een bericht van Wilfred Rubens. Ik kan het me namelijk heel goed voorstellen dat een docent op individuele basis zegt dat de laptops dicht moeten blijven. Als beleid gaat het me (veel) te ver, maar laptops kunnen wel degelijk ook hinderlijk zijn.

CollegezaalKijk maar eens naar de opbouw van veel collegezalen: de zitrijen lopen vaak op naar achteren. Dat kan betekenen dat door de opengeklapte schermen, je het zicht op de studenten ontnomen wordt. Dit alleen al vind ik voldoende reden om laptops in bepaalde lessen niet toe te staan, ook al wil de student de laptop gebruiken voor aantekeningen. Zeggen dat een docent die laptops verbiedt ouderwets is, werkt in de hand dat studenten dat niet gaan accepteren – en dat vind ik een slechte zaak.

Als tegenargument hoor ik nogal eens dat wanneer de vrees bestaat dat studenten andere dingen gaan doen op hun laptop, docenten hun lessen dan maar aantrekkelijker moeten maken. Dat vind ik geen sterk argument. Natuurlijk is het de uitdaging van de docent om de aandacht van de studenten te trekken. Maar zelfs bij een goed opgezette, interactieve les kun je studenten hebben die ogenschijnlijk wat anders lijken te doen op de laptop, en dat kan de docent afleiden. Reden genoeg voor de docent om te zeggen dat de laptop gesloten moet worden, lijkt me (tenzij de laptop nodig is voor de les, uiteraard).

Overigens hoop ik nog steeds dat wij laptops vanaf volgend jaar verplicht kunnen stellen, omdat ik uitkijk naar de interactieve mogelijkheden die me dat geeft. Dat hangt echter nog steeds van infrastructurele zaken af of we dat gaan halen…


Flipperdeflip…

24 november 2009

Langzamerhand kunnen we met onze propedeuse-studenten technisch gesproken een beetje de diepte in. In de eerste periode hielden we ons nog heel erg bezig met basis-computervaardigheden, vanaf nu mogen de studenten ook echt iets maken. We vragen ze namelijk om voor het project van de tweede periode een filmpje te maken.

Hiervoor is een aantal Flip-videocamera’s aangeschaft. Afgelopen week mochten de studenten tijdens een college hier even mee experimenteren, en vanaf volgende week gaan ze met deze camera’s echt opnames maken. Ze zullen voor Beeld en Geluid namelijk de door hen voorgestelde oplossing moeten gaan visualiseren.

Voor veel studenten is dit de eerste keer dat ze echt iets moeten filmen. In de colleges van deze en vorige week krijgen ze daarom een spoedcursus video, met veel aandacht voor de techniek (cameravoering, -perspectieven, licht etc.) en voor het proces van het ontwerpen van een film: concept, scenario en storyboard. Over twee weken zullen ze met behulp van Microsoft MovieMaker gaan monteren.

Volgens mij zijn de studenten er klaar voor. Ze zijn in elk geval enthousiast gestart met het bedenken van ideeën, en ook het uitproberen van de camera vond men erg leuk. We zullen zien waar dat toe gaat leiden.


Computervaardigheden – een andere insteek

26 augustus 2009

Mijn bijdrage over het vak Computervaardigheden heeft al een aantal reacties opgeleverd. Net toen ik van plan was om verder te borduren op deze opmerkingen, kwam ik dit artikel tegen. Er zitten een aantal voor onderwijs zeer bruikbare analogieën in.

Aanleiding voor het artikel is een video van Google, waarin toevallige voorbijgangers op Times Square in New York een aantal vragen gesteld worden over internetgebruik. Wat blijkt? Veel mensen weten niet wat een browser is, sterker nog, velen kunnen niet de browser noemen die zij zelf gebruiken voor internettoegang.

Hilarisch, inderdaad. Maar als je er wat beter over nadenkt zijn er wellicht lessen uit te trekken voor ons onderwijs. Want is het wel zo erg dat mensen niet kunnen benoemen wat hun browser is? Het zou ook zo kunnen zijn dat internetgebruik zo ingeburgerd is dat mensen niet meer hoeven na te denken over hun specifieke browser. Internet is immers gemeengoed geworden. Hoeveel mensen weten nog hoe de motor in hun auto werkt, en wat voor specifieke uitvoering het is? Juist, alleen autoliefhebbers, en het spreekt voor zich dat niet iedereen dat hoeft te zijn.

Wellicht betekent dit dat we ook het Computervaardigheden-onderwijs anders moeten benaderen. Zou het zou kunnen zijn dat wij als docenten de computer teveel benaderen vanuit ons eigen perspectief? Als we even de vertaling maken: ik wil als docent graag dat studenten weten dat de Explorer onder Windows de plek is waar documenten worden beheerd. Maar als studenten wellicht niet weten wat een browser is, is die Explorer voor hun misschien ook wel erg abstract.

Ik heb niet gelijk een kant-en-klaar onderwijsplan klaar. Sterker nog, ik denk dat het wel eens knap lastig kan zijn om hier mee aan de slag te gaan. Het is echter wel een interessante denkrichting, en ik ben benieuwd naar jullie reacties.


Fraude

2 juli 2009

Altijd een frustrerende ervaring voor docenten: heb je veel tijd en moeite gestoken in het uitleggen van een vak aan je studenten, blijken ze zich er vanaf te maken door domweg werk van andere studenten in te leveren. En dan moet je er weer veel tijd in steken om er achter te komen of het echt kwaadwillende fraude is of misschien een stomme fout… terwijl studenten vaak weer lijken te denken dat je er lol in hebt om ze aan de schandpaal te nagelen. Integendeel dus.

Met deze activiteiten gaat momenteel een groot deel van mijn tijd heen. Ik merk dan vooral dat ik voor deze taak niet opgeleid ben: ik ben immers geen rechercheur. Het opmerken van een geval van fraude of plagiaat is vaak geen probleem, maar dan moet je dus nog bepalen of de beschuldiging terecht is. In de procedure die bij ons op school geldt moet je dan een student oproepen voor een persoonlijk gesprek, en daar begint vaak het gedonder. Studenten blijken er zeer bedreven in om een geloofwaardig verhaal op te hangen, en ik bezit niet de gave om leugens eenvoudig te onderscheiden van de waarheid.

Natuurlijk ben ik bekend met instrumenten als Ephorus, waarvoor ook onze school een licentie heeft. De opdrachten echter waar ik hier over praat, behelzen het maken van digitale producten: een website of een database. En hier biedt Ephorus nu juist geen ondersteuning voor.

Verder vind ik soms de procedure op onze instelling frustrerend. In principe constateert de docent de fraude, en geeft dat vervolgens door aan de examencommissie. In veel gevallen neemt deze het advies van de docent over. Een enkel geval van fraude leidt echter niet tot strafmaatregelen – pas wanneer je een tweede keer van fraude of plagiaat beschuldigd wordt kun je uitgesloten worden van één of meerdere kansen, tot maximaal een jaar.

Gezien dit systeem ben ik zelf geneigd ook in het geval van twijfel fraudegevallen door te geven aan de examencommissie. Immers, een eerste vergrijp blijft zonder gevolgen. De laatste tijd merk ik echter dat er meer gevallen zijn die ik niet aangeef bij de examencommissie, en ik twijfel of dat goed is. Ik heb echter niet de indruk dat er een erg duidelijke lijn is.

Wat vinden jullie? En zijn er tools die ook het opsporen van fraude bij databases en websites vergemakkelijken?


Effectiviteit groepswerk

16 maart 2009

In Trouw stond afgelopen zaterdag een artikel over de oprichting van het Internationaal Forum Onderwijspraktijk, een nieuw netwerk dat een verbinding wil maken tussen internationaal wetenschappelijk onderzoek en de onderwijspraktijk. Hoewel dit netwerk zich met name richt op basis- en voortgezet onderwijs, kan uit een aantal opmerkingen het HBO ook wel degelijk lering trekken.

Belangrijkste opmerking die bij mij bleef hangen was dat groepswerk in het onderwijs in de praktijk niet werkt, of dat het op zijn minst strak geleid moet worden. “Zodra de docent wegkijkt, valt de aandacht van sommige groepsleden weg.” Uiteraard verwachten wij van HBO-studenten meer zelfstandigheid op dit gebied, en dat mag ook, maar mijn ervaring is dat groepswerk ook op HBO-niveau een strakke leiding vraagt – en dat die leiding van docenten vaak te wensen over laat.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet tegen groepswerk. Integendeel. Ik vind echter wel dat groepswerk een gestructureerde aanpak vraagt. School docenten, begeleid docenten. Denk als opleiding na over wat je beoogt met je groepswerk – het is deel van het onderwijs, dus er zijn leerdoelen aan te koppelen. Zorg voor een duidelijke leerlijn in de projecten. Ontwerp een kader waar je projectwerk in valt,

Het Ifo had overigens voor de oprichting onderwijsveteraan Michael Fullan uitgenodigd (diens “Meaning of Educational Change” uit 1982 was al in mijn studietijd een standaardwerk). Hij brak op de bijeenkomst een lans voor meer samenhang tussen wetenschappelijk onderzoek en de onderwijspraktijk, waar ik me alleen maar van harte bij aan kan sluiten. Er is veel veranderd in onderwijsland, en docenten kunnen achter de gesloten deuren van hun lessen lang niet meer zelf doen waar ze zin in hebben. Toch is meer aandacht voor wetenschappelijk onderzoek, en meer contact tussen docenten onderling, hard nodig. Wat is er nu vruchtbaarder voor het niveau van je lessen dan sparren met je vakgenoten, en gebruik maken van nieuwe methoden?


Invullen lesdoelen Digitale Video

11 februari 2009

Naar aanleiding van het overleg met een collega heb ik inmiddels het globale programma van de komende vijf weken in kunnen vullen. Deze zien er als volgt uit:

  • Week 1: Theoretische achtergronden
  • Week 2: Eenvoudige edit-technieken
  • Week 3: Complexe bewerkingen (aan de hand van het maken van een leader)
  • Week 4: Het maken van uitsnijdes en het benutten van uitsnijdes voor eenvoudige montages
  • Week 5: Een interview monteren

Met zulke globale omschrijvingen kan ik natuurlijk nog geen les vullen. Ik heb ze daarom, volgens de reeglen der kunst, proberen om te zetten naar leerdoelen. Op dit moment heb ik de leerdoelen omschreven van de eerste twee practica. Die zien er als volgt uit:

  1. Week 1: Het kunnen benoemen van de interface-onderdelen van Final Cut; het kennen van (een aantal van) de basistermen van videomontage;
  2. Week 2: Door video-clips heen kunnen navigeren, en markeringen kunnen maken; het achter elkaar kunnen monteren van videofragmenten; het begrip three-point-editing kunnen omschrijven en in de praktijk kunnen brengen;

Er zijn natuurlijk twee kritiekpunten te formuleren op basis van deze leerdoelen: het overkoepelende cursusdoel ontbreekt, en de leerdoelen zijn niet praktisch genoeg omschreven. Normaal gesproken dient in een leerdoel ook al exact omschreven te zijn hoe te toetsen is of een leerdoel behaald is. Een goed leerdoel zou bijvoorbeeld zijn:

  • De student kan drie van de vijf hoofdvensters van Final Cut benoemen, en de functie van deze drie omschrijven.

Dit is een goed leerdoel, want toetsbaar. De door mij geformuleerde leerdoelen zin nog te globaal. Ik heb ze in de praktijk wel verder omschreven, maar vond deze blogpost dan te uitgebreid worden. Daarom heb ik het vooralsnog even zo gelaten. Misschien dat ik in de nabije toekomst nog dieper inga op de lesdoelen van één enkele les.

De volgende taak is om de lesdoelen van de volgende drie practica te omschrijven in om de lesinhoud te gaan vullen met werkvormen. De eerste lessen hebben inmiddels plaatsgevonden. Binnenkort hoop ik te schrijven over de resterende lesdoelen, en over de invulling en ervaringen met de lessen.