Interne audits

8 november 2011

Gisteren verscheen in de Volkskrant een kort artikel over een audit bij de opleiding Commerciële Economie van de Hogeschool van Amsterdam. De tendens van dit artikel was (nog niet online helaas, tenzij je ervoor wilt betalen; er is wel een artikel van Foliaweb dat is gebaseerd op het VK artikel) dat er het nodige schort aan deze opleiding.

Dat kan. Het is namelijk een interne audit, een soort test-accreditatie waarmee gepeild wordt hoe een opleiding ervoor staat. Het is dus eigenlijk juist de bedóeling dat hier kritiekpunten in geformuleerd worden, zodat die punten op tijd (lees: voor de eerstvolgende accreditatie) aangepakt kunnen worden. Daarnaast is dit dus voor intern gebruik, en niet voor de pers.

De vraag is dan ook wat degene die het rapport heeft doorgespeeld aan de Volkskrant hiermee beoogd heeft. Zichzelf op de borst slaan van, zie je wel, ik heb het allemaal aan zien komen? Het kan namelijk geen poging zijn om de opleiding wakker te schudden. Tenminste, als het zo is bedoeld zal het mijns inziens volledig de plank misslaan. De kans bestaat namelijk dat, als dit soort rapporten vaker gelekt worden, de audits voorzichtiger worden. Immers, welke instelling wil nu dat er negatief wordt gepubliceerd over de opleidingen van die instelling? En omdat het onder controle krijgen van de kwaliteit van een opleiding vele malen ingewikkelder is dan het afzwakken van zo’n rapport, weet ik wel waar de eerste inspanning naar toe zal gaan.

De accreditatie is geen strafexpeditie, om opleidingen die niet in de haak zijn eens lekker om de oren te slaan; nee, de accreditaties zijn er om te waarborgen dat het hoger onderwijs in Nederland van een goede kwaliteit is. Misschien dat deze meneer/mevrouw daar nog eens over kan nadenken.


Column

21 januari 2011

Ik kom uit een familie van ‘pissige-briefjes-schrijvers’. Mijn vader kon zich regelmatig opwinden en in de pen klimmen. Volgens de overlevering was mijn grootvader echter de kampioen. Het was daarom leuk geweest als beiden mijn ingezonden brief in de Vrij Nederland van deze week nog hadden kunnen meemaken.

Het is waarschijnlijk op deze blog wel eens opgevallen: ik wil me nog wel eens opwinden zodra Frank Kalshoven over onderwijs schrijft. Ik vind zijn columns nogal eens gemakzuchtig. Zo ook zijn column in de eerste Vrij Nederland van dit jaar (die helaas nog niet online staat, link zal ik later toevoegen). Ik plaats mijn brief hier even integraal.

Vwo

Als onderwijskundige en docent mag ik graag een mening hebben over economische vraagstukken. Omgekeerd vind ik het dan ook interessant als iemand vanuit economisch perspectief zijn licht laat schijnen over onderwijszaken. Ik ben dan ook blij dat Frank Kalshoven in zijn column regelmatig aandacht besteedt aan het onderwijs.

De laatste maanden echter is er iets van herhaling in zijn stukken geslopen. Meermalen heeft hij ons laten weten dat hij vindt dat het VWO wel wat korter kan, dat daar geld mee bespaard kan worden. Een gedurfde stellingname, omdat het mij voor de hand lijkt te liggen dat een verkorte VWO een risico is voor onze kenniseconomie.

Het herhaaldelijk poneren van deze stelling zonder argumenten vind ik nogal goedkoop. Ik vertrouw er daarom op dat Kalshoven dit standpunt een volgende keer inhoudelijk gaat onderbouwen en de voor- en nadelen tegen elkaar af gaat zetten.

Voor alle duidelijkheid: mijn ergernis betreft vooral het herhaaldelijk poneren van deze stelling, en het ontbreken van argumenten. Eén keer zo’n stelling innemen kan, bij herhaling wordt wat mij betreft de roep om argumenten groter. Voor zover ik kan nagaan poneerde Kalshoven de stelling al in 2009, dus hij heeft alle tijd gehad om wat inhoudelijker te worden.


Kalshoven en tijdschrijven

3 februari 2010

En ik maar denken dat ik dit artikel gepubliceerd had… bleek het gewoon nog in de wachtrij te staan. Geen wonder dat het zo lang stil bleef op mijn blog. Inmiddels is het wat verouderde kost, maar ik wil jullie het artikel toch niet onthouden – bovendien wil ik graag dat mijn inspanningen zich uitbetalen. 😉

Frank Kalshoven en onderwijs, ik vind het geen gelukkige combinatie. Al eerder schreef ik over een column van Kalshoven in Vrij Nederland, waarin hij wel erg kort door de bocht ging over onderwijs. En dat herhaalt hij in de VN van deze week.

Er is het nodige te doen geweest over het advies van de Onderwijsraad over tijdschrijven. In het rapport ‘Naar doelmatiger onderwijs; zes manieren om het doelmatigheidsbesef in het onderwijs te verbeteren‘ adviseerde de Onderwijsraad om (onder andere) het tijdschrijven in het onderwijs in te voeren. Plasterk ging hier middels een ingezonden brief in de Volkskrant fel tegenin.

Plasterk had mij als medestander, maar Kalshoven dus niet, blijkt uit zijn column van deze week. Zijn punt: tijdschrijven is een uitstekend instrument om de doelmatigheid en kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Dat ben ik ook nog met hem eens. Het laat echter een ander element uit de discussie volkomen onbelicht.

Veel (hoger) onderwijs-instellingen hebben namelijk al een tijdschrijf-systeem. Bij onze instelling heet dat de taaklast. Voor iedere taak die een docent op zich neemt, of het nu gaat om colleges, practica, onderwijsontwikkeling of iets anders, staat een vast aantal uren. Het gaat daarbij niet alleen om de uren die het kost om een les te geven, maar ook om voorbereidingstijd. En dat allemaal keurig gerubriceerd per soort activiteit: voor een uur college staan bijvoorbeeld meer uren dan voor een practicum, omdat het voorbereiden van een practicum in onze onderwijsopzet doorgaans meer uren vraagt.

Met andere woorden: docenten krijgen taken toegewezen, en die taken tellen op tot een totaal voor een bepaalde periode. In principe zou dus eenvoudig aan een taaklast te zien moeten zijn wanneer een docent ‘vol’ is. Maar nu komt het leuke: de dagelijkse werkelijkheid is vaak anders. Helaas kan het heel goed zo zijn dat een docent die volgens de taaklast voor 100 % bezet is, in praktijk veel te veel uren draait.

De conclusie moet dus zijn dat er op veel instellingen een (potentieel) goed systeem bestaat om doelmatigheid en kwaliteit in het onderwijs te vergroten. Is het dus raar dat veel docenten in opstand komen? Nee, want het advies voelt als het afwentelen van een tekort van een bestaand systeem (waarbij de druk op het management ligt) op de werknemers (die al in veel gevallen teveel uren draaien). De omgekeerde wereld dus.

Wat overblijft is de mogelijkheid dat Plasterk dit niet inzichtelijk genoeg gemaakt heeft in zijn brief, of dat hij wellicht niet eens van het bestaan van taaklast-achtige systemen afweet. In dat geval kloppen zijn argumenten niet, maar met de conclusie kan ik het alleen maar eens zijn.