Flipperdeflip…

24 november 2009

Langzamerhand kunnen we met onze propedeuse-studenten technisch gesproken een beetje de diepte in. In de eerste periode hielden we ons nog heel erg bezig met basis-computervaardigheden, vanaf nu mogen de studenten ook echt iets maken. We vragen ze namelijk om voor het project van de tweede periode een filmpje te maken.

Hiervoor is een aantal Flip-videocamera’s aangeschaft. Afgelopen week mochten de studenten tijdens een college hier even mee experimenteren, en vanaf volgende week gaan ze met deze camera’s echt opnames maken. Ze zullen voor Beeld en Geluid namelijk de door hen voorgestelde oplossing moeten gaan visualiseren.

Voor veel studenten is dit de eerste keer dat ze echt iets moeten filmen. In de colleges van deze en vorige week krijgen ze daarom een spoedcursus video, met veel aandacht voor de techniek (cameravoering, -perspectieven, licht etc.) en voor het proces van het ontwerpen van een film: concept, scenario en storyboard. Over twee weken zullen ze met behulp van Microsoft MovieMaker gaan monteren.

Volgens mij zijn de studenten er klaar voor. Ze zijn in elk geval enthousiast gestart met het bedenken van ideeën, en ook het uitproberen van de camera vond men erg leuk. We zullen zien waar dat toe gaat leiden.

Advertenties

Computervaardigheden – een andere insteek

26 augustus 2009

Mijn bijdrage over het vak Computervaardigheden heeft al een aantal reacties opgeleverd. Net toen ik van plan was om verder te borduren op deze opmerkingen, kwam ik dit artikel tegen. Er zitten een aantal voor onderwijs zeer bruikbare analogieën in.

Aanleiding voor het artikel is een video van Google, waarin toevallige voorbijgangers op Times Square in New York een aantal vragen gesteld worden over internetgebruik. Wat blijkt? Veel mensen weten niet wat een browser is, sterker nog, velen kunnen niet de browser noemen die zij zelf gebruiken voor internettoegang.

Hilarisch, inderdaad. Maar als je er wat beter over nadenkt zijn er wellicht lessen uit te trekken voor ons onderwijs. Want is het wel zo erg dat mensen niet kunnen benoemen wat hun browser is? Het zou ook zo kunnen zijn dat internetgebruik zo ingeburgerd is dat mensen niet meer hoeven na te denken over hun specifieke browser. Internet is immers gemeengoed geworden. Hoeveel mensen weten nog hoe de motor in hun auto werkt, en wat voor specifieke uitvoering het is? Juist, alleen autoliefhebbers, en het spreekt voor zich dat niet iedereen dat hoeft te zijn.

Wellicht betekent dit dat we ook het Computervaardigheden-onderwijs anders moeten benaderen. Zou het zou kunnen zijn dat wij als docenten de computer teveel benaderen vanuit ons eigen perspectief? Als we even de vertaling maken: ik wil als docent graag dat studenten weten dat de Explorer onder Windows de plek is waar documenten worden beheerd. Maar als studenten wellicht niet weten wat een browser is, is die Explorer voor hun misschien ook wel erg abstract.

Ik heb niet gelijk een kant-en-klaar onderwijsplan klaar. Sterker nog, ik denk dat het wel eens knap lastig kan zijn om hier mee aan de slag te gaan. Het is echter wel een interessante denkrichting, en ik ben benieuwd naar jullie reacties.


Computervaardigheden

19 augustus 2009

Toen ik gisteren blogde over het vak Computervaardigheden, realiseerde ik me dat het goed was dat te verduidelijken. Vervolgens reageerde Karin Winters op die blog, en wist ik het zeker: dit had verduidelijking nodig. Het heeft mij namelijk ook altijd verbaasd dat dit nodig was op een hogeschool-opleiding. Want ja, toen ik meer dan 10 jaar geleden bij de opleiding Psychologie van de Universiteit van Amsterdam werkte, vond ik het acceptabel dat er studenten waren die moeite hadden met computergebruik. Maar in een HBO-opleiding anno 2009? Toch is de werkelijkheid minder rooskleurig dan je zou willen of hopen.

Ik werd feitelijk voor de eerste keer met het vak geconfronteerd toen ik nog in mijn sollicitatieprocedure zat. Tijdens het sollicitatiegesprek werd mij gevraagd hoe ik het vak Computervaardigheden dacht vorm te geven. Doorvragen leerde me dat het inderdaad daarom ging, het studenten aanleren van basisvaardigheden op de computer. Dat deed de opleiding destijds in 2006, en doet de opleiding nog steeds in 2009. En ik ben bang dat het nog steeds nodig is.

Het gros van onze studenten “wil iets in de media doen”. De rest heeft een beeld bij zijn of haar toekomstige beroep: redacteur bij een tijdschrift worden, of freelance journalist. Of nog iets anders. Ik heb het idee dat daar ook een scheiding der geesten ligt: de groep die iets in de media wil doen, heeft de misvatting dat dat in de maatschappij van vandaag zonder computers kan. Helaas.

Het vak Computervaardigheden heeft daarom eigenlijk een tweeledig doel: het belangrijkste doel is (uiteraard) om de studenten die vaardigheden bij te brengen, die noodzakelijk zijn om aan onze instelling succesvol te kunnen studeren. Mede daarom zou ik het vak ook liever Studievaardigheden noemen. Daarnaast proberen we studenten ook te doordringen van de belangrijke plek die computers tegenwoordig innemen.

Waar ik nu wel benieuwd naar ben is hoe andere instellingen dit doen. Speelt dit probleem van beperkte computerkennis op meer opleidingen? En zo ja, hoe wordt dat dan opgelost? Met lessen, of moeten studenten dit wellicht in eigen tijd bijspijkeren? Een volgende keer meer over de inhoud van het vak.


Weblectures

24 maart 2009

Afgelopen vrijdag gaf ik om half 3 een college Websitebouw, een college dat ik twee keer per week geef. Waar er eerder deze (woensdagochtend) 40 studenten kwamen opdagen, bleek er nu één (1) student in de zaal te zitten – waar er per college maximaal 100 studenten te verwachten waren. Een teleurstelling, zoals u begrijpt.

Van tevoren had ik hier al rekening mee gehouden; de afgelopen weken waren de opkomstpercentages al zeer wisselend. Natuurlijk is het niet zo dat er alleen maar sprake is van studenten die niet komen opdagen, en zelfs als dat al zo is, bestaat de kans dat het geboden onderwijs gewoon niet goed genoeg is. Daar zullen we dan ook kritisch naar moeten kijken. Ik merk echter ook dat studenten ‘shoppen’ – dus zelf kijken of ze een ander moment een college bij kunnen wonen (dat hun beter uitkomt).

Binnen de HvA wordt al op vrij ruime schaal gebruik gemaakt van zg. ‘web lectures’. Helaas nog niet op ons instituut. Er zijn wel docenten die hun eigen colleges opnemen, maar die doen dat in de vorm van een podcast. Op die manier mis je mijns inziens een aantal (interactieve) mogelijkheden die een web lecture wel biedt. Persoonlijk denk ik dat het hoog tijd is dat wij als instituut gestructureerd gebruik maken van dergelijke mogelijkheden, aan de ene kant om de studenten meer ter wille te zijn, aan de andere kant om ons als docenten effectiever in te zetten (zie ook dit commentaar van Sander Schenk op een eerdere blog).

Wel denk ik dat we op dit gebied nog een lange weg te gaan hebben. Niet iedere docent is hier enthousiast over, velen vrezen ook enerzijds een lage opkomst voor colleges (wat ik persoonlijk helemaal niet erg vind) of denken dat de studenten de opgenomen lessen helemaal niet zullen bekijken. In dat laatste geval doen wij toch ook als docenten iets niet goed, lijkt mij.

Mocht u het zich afvragen, ik heb het college gewoon gegeven. 🙂


Massa-onderwijs revisited

23 januari 2009

Gezien de reacties leek het me verstandig nog wat verdere toelichting te geven over mijn dilemma bij de module Websitebouw. So here goes.

Het is inderdaad zo dat wij hier aan de HvA geen full-fledged ELO hebben. Wij werken met BSCW, eigenlijk meer een web collaboration omgeving – zo wordt het door de fabrikant ook in de markt gezet. En eigenlijk vind ik dat helemaal niet erg. Dit systeem biedt me namelijk wel de mogelijkheid om lesmateriaal online te delen.

Wat ik in mijn eerdere post nog niet vermeld had was dat er ook de nodige beperkingen zitten aan de hoeveelheid practica die ik kan geven. Omdat er nog meer vakken gebruik maken van onze practicumzalen is vijf eigenlijk ook wel het maximum. Die vijf practica heb ik echt wel nodig om die oefeningen te geven waarmee studenten zelf een website kunnen gaan bouwen. Wanneer ik in die practica ook nog ga verwijzen naar theorie die nog niet behandeld is kom ik snel in de knel. Natuurlijk kan ik de studenten vragen om de theorie in hun eigen tijd te verwerken, maar ze zullen er toch nog ondersteuning bij nodig hebben.

Wat ik zelf wel als mogelijkheid zie is het systeem van Webcolleges wat hier aan de HvA gebruikt wordt. Met dit systeem kunnen colleges niet alleen online gezet worden, maar ook verrijkt worden: beelden en PowerPoint kunnen gesynchroniseerd worden, en er kan extra materiaal worden toegevoegd. Door tijdgebrek (1300 studenten, bent u er nog) is dit er helaas nog niet van gekomen.

Verder kreeg ik nog de suggestie om eens te kijken naar VoiceThread.com. Klinkt interessant, ga ik zeker eens naar kijken.


Dilemma’s bij massa-onderwijs

21 januari 2009

Ik heb al eerder opgemerkt op deze blog dat wij op ons instituut te maken hebben met enorme aantallen studenten. Dit jaar begonnen er zo’n 1300 in de propedeuse. Volgend jaar ligt dat aantal lager, omdat we met een numerus fixus gaan werken – maar we zullen vermoedelijk nog steeds 960 studenten hebben.

Deze aantallen leggen uiteraard een flinke druk op het onderwijs. Het is ten eerste organisatorisch een flinke klus om de boel aan elkaar te breien, maar het heeft ook gevolgen voor de invulling van het onderwijs. Een praktisch voorbeeld.

Komende periode ben ik in de propedeuse o.a. verantwoordelijk voor de module Websitebouw. In deze module proberen wij studenten wegwijs te maken in HTML. Als men mij zou vragen deze module zonder randvoorwaarden te ontwerpen, zou ik er vermoedelijk voor kiezen om de studenten in kleine groepen in te delen, steeds een klein stukje theorie aan te dragen en ze daar meteen mee aan de gang te laten gaan. Ik zou ze bijvoorbeeld websites laten beoordelen: wat vind je hier goed aan, en wat niet?

Met onze aantallen is dat wat mij betreft niet te doen. Ik denk dat voor deze werkvorm de maximale grootte zo’n 30 studenten is. Dat betekent dat deze lessen iedere week weer 30 keer gegeven moeten worden. Dat is gewoon te veel. Uiteindelijk kies ik daarom voor een serie van vijf practica en een serie van vier colleges. We proberen die lessen uiteraard te koppelen, maar dat is lastig. Bovendien lijdt het onderwijs onder het probleem dat studenten de aangedragen theorie in de lessen vaak alweer kwijt zijn op het moment dat ze aan de practica beginnen.

Heel vervelend, maar ik zie de oplossing vooralsnog niet. Wie wel? Zijn er alternatieven om dit probleem op te lossen?


Experimenteren met werkvormen

5 januari 2009

In één van de modulen die ik de afgelopen periode heb gegeven heb, mede geïnspireerd door de cursus die ik bij de VU heb gevolgd, flink geëxperimenteerd met werkvormen tijdens de les. Zie ook mijn eerdere blog artikel Hoe interactief kan een college zijn. De ideeën hiervoor kwamen deels uit ontwerp-literatuur, maar deels ook boeken met ideeën voor werkvormen, die ik graag met jullie wil delen.

Mijn belangrijkste inspiratiebron is een uitgave van het VU Onderwijscentrum met als titel Van Prikkel tot Project – Een doe-het-zelf pakket voor het ontwerpen van opdrchten voor het Hoger Onderwijs. Deze bundel is gescreven door J.E. Baltzer, J.H. ten Berge en J. Poortinga en kwam uit in januari 2003. Een link kan ik niet geven, maar met een telefoontje naar het Onderwijscentrum moet dit te bestellen zijn.

Dit boek is, na een korte verhandeling over leren en onderwijs (minder dan 20 pagina’s), een uiterst praktische opsomming van werkvormen/opdrachten. Wanneer je op zoek bent naar werkvormen kun je dus beginnen met  met het doorbladeren van dit werk. Bij veel werkvormen worden bovendien specifieke (praktische) aanwijzingen voor de docent gegeven, en worden veel werkvormen geïllustreerd met praktijkvoorbeelden. Hierdoor is snel te bepalen of een bepaalde werkvorm zich leent voor jouw situatie.

Ik denk dat veel mensen iets aan deze bundel kunnen hebben. Iedereen heeft echter zijn of haar eigen voorkeuren, en binnen onze opleiding zijn een aantal collega’s enthousiast over het boek Het gaat steeds beter – activerende werkvormen voor de opleidingspraktijk. Ook in dit boek zijn veel voorbeelden te vinden, maar persoonlijk vind ik het boek van de VU net wat praktischer.

Uiteraard hoor ik graag tips voor andere boeken met onderwijswerkvormen.