Infrastructuur HvA

1 april 2010

Ik moest het nog een tijdje voor me houden, maar ik mag het blijde nieuws eindelijk bekend maken: de Hogeschool van Amsterdam gaat over op een moderne infrastructuur. Het komende paasweekend zal door de HvA benut worden om het gehele netwerk te herzien. Als alles goed gaat staat de medewerkers op de dinsdag na Pasen een grote verrassing te wachten.

Belangrijkste gevolg van deze herziening is namelijk dat de Hogeschool overstapt op het gebruik van Office 2007. Dit zal echter maar van korte duur zijn: gelijk met het verschijnen van de nieuwste versie 2010, die ergens dit jaar verwacht wordt, zal de HvA op dit nieuwe pakket overstappen. Voor de zware gebruikers – hetzelfde zal gelden voor de versies van de Adobe Creative Suite. De nieuwe versie CS5, die op 12 april verschijnt, zal op diezelfde datum ook voor HvA-medewerkers en -studenten beschikbaar komen.

Voor die docenten die meer doen met het netwerk dan alleen documenten opslaan, is het ook goed nieuws om te horen dat het netwerk volledig transparant zal worden. Docenten zullen zelf in kunnen stellen wie welke mappen kunnen zien – hiermee is het systeem zo in te stellen dat digitaal ingeleverd werk, gelijk vanaf het netwerk nagekeken kan worden. Er zal verder geen verschil meer zijn in thuiswerken en het werken op lokatie – alle lokaal aangeboden diensten zullen ook vanaf het huisadres bereikbaar zijn.

Dat betekent ook dat BSCW in zijn geheel zal verdwijnen. De diensten die nu via dit systeem worden aangeboden worden mogelijk gemaakt door de nieuwe netwerkstructuur. Op het netwerk kan met meerdere mensen tegelijkertijd aan documenten gewerkt worden (inclusief versiebeheer), en presentaties en films kunnen interactief op het netwerk gebruikt worden.

Tegelijkertijd met het nieuwe systeem voert ITS een 1-op-1 responssysteem in. Iedere medewerker krijgt een eigen contactpersoon bij ITS, die snel zal reageren op klachten. Hierdoor wordt hopelijk voorkomen dat ITS medewerkers een nieuw systeem invoeren waarvan beloofd wordt dat het beter is dan het oude systeem, maar eigenlijk minder mogelijkheden en meer werk betekent – vooral meer werk voor docenten, zoals onlangs met de invoering van een nieuw systeem voor de U: schijf het geval bleek te zijn.

Voorwaar iets om naar uit te kijken!

Advertenties

De nakijk-carrousel

25 januari 2010

120 Groepen. 120 DVD’s. 720 Rapporten. En dat alles weer verspreiden onder 600 module-coördinatoren. Dat heeft me de afgelopen twee weken voor een belangrijk deel beziggehouden. Nee, ik ben geen docent logistiek. Maar wel verantwoordelijk voor het goed verlopen van deze operatie. Daarom stond ik twee weken geleden in het lokaal hiernaast om het inleveren georganiseerd te laten verlopen.

Wellicht begrijp je nu een beetje waarom deze blog er een beetje verlaten bij gelegen heeft, de afgelopen twee weken. Uiteraard hoef ik het nakijken niet allemaal zelf te doen, en gelukkig heb ik assistentie die dit vaker bij het handje heeft gehad (en, mag ik eigenlijk wel zeggen, het leeuwendeel van het werk doet – waarvoor mijn eindeloze dank!), je moet er toch wel even je hoofd bij houden om dit goed af te kunnen ronden. Er mag immers geen DVD, geen verslag, geen beoordelingsformulier zoekraken – en dat vereist een waterdichte administratie. Ook is het belangrijk om duidelijk te (blijven) communiceren over de deadlines, want we hebben als hogeschool een wettelijke termijn waarbinnen de cijfers gepubliceerd moeten worden. Terecht, maar dan mag er dus helemaal niets misgaan.

Hoewel het te vroeg is om iets te zeggen over cijfers en resultaten, is het wel verheugend te constateren dat bijna alle groepen hebben ingeleverd. Er waren helaas drie groepen te laat voor de deadline, maar de overige 116 groepen (één klas bestaat uit slechts 3 groepen hebben compleet ingeleverd). Een goed begin is het halve werk, dus dat stemt positief. Ook heb ik als docent Multimedia al een paar aardige films gezien. Ik ben dus benieuwd.

Inmiddels zijn de rapporten van de vakdocenten binnen, en worden ze verspreid onder de tutoren. Deze moeten de beoordelingen van de vakdocenten met elkaar combineren, om zo tot een eindcijfer te komen. Daarvoor hebben we nog twee dagen. Vervolgens mag onze opdrachtgever (Beeld en Geluid) met de rapporten aan de gang. Overigens hebben zij van alle rapporten al een managementsamenvatting ontvangen; de beste rapporten gaan meedingen naar een prijs.


Onderwijsflexibilisering

8 september 2009

Er is al veel over gezegd, de onderwijsherziening die minister Plasterk aankondigde op zijn nieuwjaarstoespraak bij de Universiteit Twente. Nou ja, onderwijsherziening; Plasterk wil vooral onderzoeken hoe het huidige stelsel van HBO en universiteit geflexibiliseerd kan worden. Met een scheef oog kijkt hij daarbij naar het, volgens hem, zeer succesvolle Californische stelsel. Tot nu toe heb ik er hier nog niets over gezegd, maar ik wil toch even een paar observaties maken.

Allereerst: persoonlijk denk ik dat het goed is kritisch naar het onderwijs te blijven kijken. Het is waar dat we in het verleden nogal veel onderwijsherzieningen hebben gekend, en dat is absoluut een probleem geweest is voor het onderwijs. Toch moeten we niet de hakken in het zand gaan zetten, en helemaal niets meer herzien. Laten we kijken naar de mogelijkheden om binnen de huidige kaders toch naar verbeteringen te zoeken.

Toch zijn er zaken die absoluut aangepakt moeten worden, zelfs als dat alleen met een forse ingreep kan. Al eerder schreef ik op deze blog dat we de doorstroming in ons onderwijsstelsel moeten verbeteren. Wanneer je goed naar het door Plasterk bewonderde Californische stelsel kijkt, zou je moeten zien dat één van de sterke kanten van dat stelsel bestaat uit de mogelijkheden om onderwijstypes te stapelen. Tot voor de laatste onderwijsherziening was dat stapelen in het Nederlandse stelsel ook goed mogelijk, maar juist daarin zijn we rigide geworden.

Het gevolg daarvan is dat we vroeg selecteren. En begrijp me niet verkeerd, selectie is goed; maar wanneer dat gepaard gaat met een vroeg eindstation voor veel leerlingen, schieten we volgens mij het doel voorbij. Ik ken talloze voorbeelden van mensen die op de MAVO begonnen zijn, maar uiteindelijk ook nog een HBO- of zelfs universitaire studie hebben afgerond. Ik durf de stelling aan dat deze mensen bijzonder goed presteren in de maatschappij. Laten we daar dus de flexibilisering zoeken.


Een nieuw jaar, een nieuw project

18 augustus 2009

In het HBO staan we weer aan het begin van een nieuw collegejaar. Dat geeft altijd weer een bijzonder gevoel, het brengt een zekere spanning met zich mij. En voor mij persoonlijk is die spanning nog wat groter, omdat er wat veranderingen op stapel staan.

Belangrijkste verandering is dat ik in periode 2 een zg. project ga coördineren. Bij onze opleiding krijgen de eerstejaars studenten iedere periode een nieuw project, waaraan de vakken in die periode zijn ‘opgehangen’. Daarbij wordt gestreefd naar ‘echte’ opdrachtgevers, en moet er een echt product gemaakt worden. Een echte praktijkopdracht dus, waarbij de benodigde theorie voor de opdracht behandeld wordt in de onderliggende vakken. In de eerste periode krijgen de studenten een opdracht van de Volkskrant voor hun kiezen; de opdrachtgever van ‘mijn’ project is Het Instituut voor Beeld en Geluid.

Een leuke en uitdagende taak. Omdat bijna alle vakken die in een periode gegeven worden ten dienste staan van het project, heb je namelijk als projectcoördinator ook inhoudelijk veel invloed op het onderwijs. Tegelijkertijd maakt die complexiteit het lastig om dingen te veranderen – de onderdelen van zo’n project hangen immers sterk met elkaar samen. Verander je bij het ene vak wat, dan heeft dat gevolgen voor een ander vak.

Het is de tweede keer dat we een project draaien met deze opdrachtgever. Veel dingen kunnen hetzelfde blijven, een aantal dingen moeten aangescherpt. Desalniettemin een flinke klus om dit project op een hoger plan te brengen. We zullen zien of ik hiertegen opgewassen ben.

Daarnaast ga ik ook bij een vak wat meer afstand nemen. Dat is het vak “Computervaardigheden”. Een collega neemt daar de coördinatie-taken over, waarbij ik wel op afstand betrokken blijf. Een goede zaak denk ik, om na een langere tijd – ik ben drie jaar modulecoördinator geweest, en heb het vak mede ontwikkeld – het stokje door te kunnen geven.


Weblectures – De stand van zaken (?)

22 april 2009

Eerder schreef ik al over de mogelijkheid van Webcolleges die de HvA aanbiedt, en het feit dat ik daar nog geen gebruik van maak. In een andere context dook dit gegeven weer op; vooral het feit dat dit kennelijk nog niet op alle hogescholen even vanzelfsprekend is was aanleiding voor mij om weer eens wat dieper in de materie te duiken.

Webcolleges aan de HvA

De webcolleges van de HvA (overigens in samenwerking met de UvA en nog een aantal andere instellingen voor hoger onderwijs) zijn feitelijk twee verschillende vensters naast elkaar: een venster voor video (over het algemeen de pratende docent) gecombineerd met een venster voor een PowerPoint presentatie. Het aardige van deze opzet is dat de timing van beide gesynchroniseerd kan worden: de juiste dia wordt getoond op het juiste moment van het college. Tijdens een live college is dat vanzelfsprekend, bij een webcollege wat mij betreft een voorwaarde voor het effectief inzetten ervan.

Toch worden, voor zover ik dat kan overzien, webcolleges nog niet in grote aantallen gebruikt. Ik heb het vermoeden dat dit vooral gerelateerd is aan de inzet: er moeten met name faciliteiten geregeld worden. Naast onbekendheid met het fenomeen (ik heb neit het idee dat de HvA erg sterk is in het promoten van de eigen instrumenten) waarschijnlijk de reden dat bijvoorbeeld een docent van mijn eigen opleiding liever podcasts maakt van zijn colleges. Het staat buiten kijf dat die minder interactief, en dus onderwijskundig minder, zijn dan de webcolleges.

In een onderzoek uit 2006 werden door docenten vooral de voordelen tijd- en plaatsonafhankelijk leren genoemd. Opvallend daarbij is dat de studenten dit voordeel niet noemen: zij lijken het vooral erg prettig te vinden dat ze de colleges vlak voor een tentamen herhaald kunnen bekijken. Interessant, omdat de vrees van veel docenten vaak lijkt te zijn dat met de beschikbaarheid van webcolleges, studenten niet meer naar het echte college zullen komen. Even los van de vraag of dit erg is, lijkt dit onderzoeksresultaat dat tegen te spreken.

Een praktische drempel die in elk geval in 2006 werd genoemd is het feit dat het systeem nog wel eens problemen vertoonde bij het tonen van filmpjes in de presentaties. Deze kwamen niet altijd goed getimed door, wat natuurlijk een probleem is bij een systeem waarvan de grootste kracht lijkt te zijn het synchroon kunnen tonen van de verschillende onderdelen.

De toekomst

Wat zijn nu mijn wensen met het systeem? Mijn belangrijkste wens op dit moment zou zijn om het nog interactiever te maken. Ik hoor vaak de klacht dat docenten alleen nog maar met PowerPoint (kunnen) werken. Deze klacht wordt geuit door zowel docenten als studenten. Wat in mijn ogen dan ook ontbreekt is de mogelijkheid om dynamische voorbeelden te maken, bijvoorbeeld diagrammen – eigenlijk de terugkeer van het bord. Ook zou het aardig zijn wanneer de mogelijkheid gecreëerd wordt voor input door de student – dit zou de mogelijkheid inbrengen om ook interactievere colleges als webcollege uit te brengen.

Op dit moment vraag ik me overigens af of ik zelf op korte termijn in zee zou gaan met weblectures. Er wordt op dit moment op ons instituut nog hard nagedacht over het verplicht stellen van laptops voor studenten. Persoonlijk denk ik dat dit meer didactische mogelijkheden en efficiëntiewinst biedt dan weblectures. Bovendien zou het de opzet van mijn lessen dusdanig veranderen dat een weblecture lastig te realiseren valt. Maar wie weet.


Nakijken

8 april 2009

Het is de afgelopen week stil geweest op mijn blog, en dat zal ook nog wel even zo blijven. We zitten namelijk midden in de nakijkcarrousel, en die lijkt nu nog wel harder aan te komen dan gebruikelijk. Dat heeft mede met Pasen te maken – a.s. vrijdag valt natuurlijk uit, en maandag dan ook alweer. Volgende week moeten de cijfers ingeleverd worden, dus ik werk nog even door als jullie het goed vinden…

Ik heb nog wel wat berichten in de pijplijn, dus ik hoop het daarna weer op te pakken. Ik wens iedereen alvast een goede Pasen! En vandaag een goede IPON, waar ik graag bij had willen zijn… Dus als iemand nog tips heeft voor sneller nakijken, dan graag. 😉


ELO’s en de betekenis voor leren

24 maart 2009

Ik heb een kleine leesachterstand, dus ik las nu pas de entry op de blog van Marcel de Leeuwe, die mede als reactie op een opmerking van mij tot stand gekomen is. Op Twitter ontspon zich een discussie over de waarde van ELO’s, en wat nu precies een ELO is. Naast mij bleek ook Kaj Rietberg niet meteen van de positieve kanten van een ELO overtuigd (als ik dat zo mag zeggen Kaj).

Al jaren volg ik de ontwikkelingen rond ELO’s met de nodige scepsis. Dit stamt al uit de tijd dat ik ICTO coördinator/informatiemanager was bij de Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Ons werd destijds min of meer gedwongen om Blackboard te gaan gebruiken, terwijl binnen de faculteit een prachtig intranetsysteem ontwikkeld was, wat relatief makkelijk uit te bouwen was tot wat je nu een ELO zou noemen.

Ik geef toe, mijn mening is hierdoor niet geheel neutraal. En toch ook gestoeld op argumenten. Want: het invoeren van een ELO is (veel) meer dan het binnenhalen van een stuk techniek. Een ELO moet het onderwijs ondersteunen en faciliteren. Je moet je daarom voor implementatie goed afvragen waar je met het onderwijs naar toe wilt, en de keuze van een ELO daarop aanpassen. Juist dat wordt vaak vergeten – en zeker in het geval van de UvA werd die slag overgeslagen.

Feitelijk bleek Marcel echter mijn mening over ELO’s in grote lijnen te delen. In één van de commentaren wordt dan wel geroepen dat BSCW, een omgeving die wij hier met redelijke tevredenheid gebruiken, moet verdwijnen (Ban de PPT/PDF/DOC omgevingen!), hij stelt feitelijk ook dat zo’n omgeving wel degelijk onderdeel kan uitmaken van een ELO.

En zo haal ik ruim 10 jaar na dato toch nog een beetje mijn gram. (Overigens heeft het bovenstaande ook implicaties voor portfolio’s, maar daarover een andere keer meer.)