Twintig jaar vooruitgang

31 januari 2012

Een korte geschiedenis: zo’n 20 jaar geleden hield ik me bezig met wat toen Computer Ondersteund Onderwijs heette, en wat inmiddels – na een aantal andere tussenfasen – e-learning is gedoopt. Ik begon ooit met een nogal archaïsch systeem met de naam TAIGA, en stapte vervolgens over op Authorware (Professional). Hiermee maakte ik interactieve lessen en toetsen (voor medisch onderwijs en lessen in psychologie). Omdat ik daarna een aantal andere dingen heb gedaan, is de focus op e-learning weg, maar ik ben er nog steeds bovenmatig in geïnteresseerd.

Ik was dan ook benieuwd welke ‘onderwijs-innovatie’ Apple zou gaan brengen op hun recente onderwijs-event – en uiteindelijk weinig onder de indruk. Dat komt niet omdat het me irriteert dat Apple deze innovatie alleen brengt voor de eigen winkel. Ook niet omdat Apple kiest voor een besloten, eigen formaat, in plaats voor het open ePUB3. Ik heb al even met iBooks Author gespeeld en vind het een mooie, Apple-waardige tool, dus daar zit de teleurstelling ook niet in. (Lees meer reacties op iBooks Author in de blogpost van Erwin Blom.)

Nee, dat komt vooral door het gebrek aan vooruitgang in die 20 jaar. Ook een tool als Authorware Professional was behoorlijk gebruiksvriendelijk. Iedereen met een beetje handigheid in computers kon hier vrij snel een aardige les in maken – op CD-ROM bijvoorbeeld. Met de nodige programmeerkennis kon je deze mogelijkheden flink uitbreiden. Je zou toch willen dat we na twintig jaar wat verder zouden zijn. En die vooruitgang brengt iBooks Author nu juist weer niet.

Ergo: Apple, wat jullie vorige week presenteerden was geen innovatie. iBooks Author is een tool. Niets meer en niets minder. Op zich helemaal niet erg, want onderwijs blijft mensenwerk: de mensen moeten het met de tools die zij tot hun beschikking hebben tot een innovatie maken. Maar beweer dan ook niet dat je innovatie brengt.

Advertenties

Onderwijs in motion

7 februari 2011

Afgelopen week deden we de zaken bij onze opleiding eens anders dan anders. We zijn gewend te werken aan langlopende projecten (nou ja, 7 weken) en met vaste groepen. En dat hebben we even anders gedaan: groepen van 8 of 9 studenten die elkaar niet of nauwelijks kenden hebben een project van een week gedaan, onder de noemer Students in Motion (SIM). Dat leverde soms verrassende resultaten op: niet alleen studenten in motion, maar ook onderwijs in motion.

Wat organisatorische rimram vooraf: onze hogeschool is verdeeld in een aantal domeinen. Ons domein, Media, Creatie en Informatie, bestaat uit een vijftal opleidingen. Normaal gesproken zijn opleidingen onafhankelijk van elkaar, maar in dit project werd dus intensief samengewerkt. De projectgroepen werden op basis van thema en opleiding samengesteld, waardoor in ieder team verschillende opleidingen vertegenwoordigd waren – en er werd een coach toegewezen. Er was een spectaculaire kickoff op maandag (inclusief het breien van een gigantische trui) en vervolgens werden de studenten losgelaten, met als opdracht een kleine flashmob te organiseren en deze te filmen.

Deze flashmob moest een boodschap hebben, en deze boodschap moest gekoppeld zijn aan een specifiek deel van de stad Amsterdam. Om dit voor de studenten mogelijk te maken waren er een aantal ontmoetingen georganiseerd: de studenten konden kennismaken met organisaties in het stadsdeel, maar ook op bezoek gaan bij bedrijven om daar gecoacht te worden door een professional van het bedrijf. De reacties van de studenten op deze mogelijkheden waren overwegend positief – al mijn groepen gaven aan op die sessies hun idee concreter te hebben gemaakt.

Als coach was het de bedoeling je studenten in deze week driemaal te zien: bij de kickoff, op woensdag en op vrijdag. En omdat het organisatorisch lastig is om 1500 studenten tegelijkertijd in onze gebouwen te plaatsen, mocht je zelf moment en plaats kiezen. Even afgezien van het feit dat het leuk was om als docent even het openbare leven van de stad in te duiken (lees: in een café te gaan zitten), had deze werkvorm voor mij onverwachte resultaten. Het gaf mij veel energie om de studenten op deze manier te kunnen coachen, want er ontstond veel eerder dan anders een dialoog tussen coach en studenten.

Moeilijk aan te geven waar deze verbetering precies in zat, maar ik ben er van overtuigd dat het deels komt omdat deze coachingsmomenten veel minder in een organisatorisch keurslijf zaten dan normaal. Het enige voorgeschreven element was immers de timing – de aanpak en inhoud van de coaching kon je vooral van de situatie laten afhangen. Natuurlijk kun je deze vrijheid ook pakken in een ‘traditioneel’ projectsysteem, maar dan ben je toch meer begrensd door beschikbare ruimtes in het rooster en gaat er toch snel meer aandacht aan bijvoorbeeld de wijze van vergaderen.

Het enthousiasme werd voor een groot deel gedeeld door de studenten. Vooraf was er op twitter wel enige scepsis van de studenten te zien, maar het was opvallend hoe snel die stemming omsloeg. Ik ben zelf in elk geval van plan om na te denken over hoe we deze vorm van coaching op de een of andere manier in onze projecten kunnen brengen. Wellicht is het een aardig idee om in onze projecten meer te werken met tussenproducten, waar de coaching dan meer op kan worden afgestemd. Wordt vervolgd.

Wil je een indruk krijgen van de creativiteit van onze studenten? Zoek eens op Youtube op #hvasim. Veel plezier!

 


Excelleren & het OER

23 maart 2010

Het instituut waarop ik lesgeef heeft de afgelopen jaren een stormachtige groei doorgemaakt: in mijn eerste jaar zaten we op het (destijds enorme) aantal van 24 klassen (ong. 750 studenten). Daarna zijn we doorgegroeid naar astronomische aantallen; vorig jaar bereikten we het voorlopige record van 39 klassen (ong. 1300 studenten). Doordat we dit jaar gewerkt hebben met een numerus fixus is dat aantal nu begrensd op 30 klassen (960 studenten).

Bij een dergelijke groei is het soms lastig kwaliteit voorrang te geven. Begrijp me goed, ik denk dat we het de afgelopen jaren heel goed gedaan hebben – maar het is meer een kwestie van de kwaliteit bewaken, dan van de kwaliteit laten toenemen. Dat eerste is gelukt, voor dat laatste hebben we vaak gewoon de tijd niet gehad.

Nu we door de numerus fixus de aantallen hebben beperkt, is er mogelijkheid om extra aandacht te geven aan de goed presterende student. Sinds kort hebben we een cum laude-regeling voor de propedeuse, om zo hoge scores te bevorderen. Verder hebben we als onderwijsinstelling de handschoen op kunnen pakken (mede door de enthousiaste initiatieven van collega @lisetteh) en een excellentie-programma gecreëerd.

Het grappige is dat het mes aan twee kanten lijkt te snijden (zoals zo vaak). De lichting studenten van dit jaar vraagt hier ook zelf om. Een voldoende is lang niet altijd genoeg; we hebben een niet onaanzienlijke groep die een vak wil herkansen als ze daar onder de maat denken te hebben gescoord. Ja, dat betekent extra werk; maar als je daar studenten mee kunt motiveren is dat iedere minuut waard.

Dat roept wel meteen een aantal vragen op, met name op het gebied van herkansingen. Want welk cijfer telt wanneer twee kansen zijn gemaakt? Het hoogste cijfer of het laatst behaalde cijfer? Vervolgens kun je dan in relatie tot cum laude de vraag stellen of een student die het hoge cijfer pas in tweede instantie behaald heeft, net zoveel recht heeft op de vermelding cum laude als die student die het in één keer heeft gedaan.

De regels met betrekking tot die herkansingen worden op HBO’s vastgelegd in een zg. OER, een Onderwijs- en Examen- Regeling. Ik heb dan ook gemengde gevoelens bij het lezen van een bericht op Havanaweb over de voorgestelde OER van volgend jaar. Als regelfreak vind ik het logisch (zeker in het licht van de cum laude-regeling) dat het laatste cijfer telt. Ik ben er echter bang voor dat een bij-effecht zal zijn dat de wil van studenten om zich in te zetten voor een hogere beoordeling de kop ingedrukt zal worden. Dat zou ik jammer vinden.


Onderwijsevaluaties

22 maart 2010

EvaluatieformulierOnze studenten worden er regelmatig suf van: evaluaties binnen het onderwijs. We evalueren werkelijk alles: studenten krijgen vragenlijsten na iedere periode, docenten evalueren onderling, het project wordt geëvalueerd… en dat elke periode, elk jaar weer. Geen wonder dat ze soms wel een beetje evaluatie-moe zijn.

Als gevolg daarvan vallen de aantallen ingevulde evaluaties wel eens tegen. Dat roept bij mij meteen de vraag op hoe representatief die evaluaties dan wel zijn, maar daar heb ik op dit moment geen antwoord op. Het neemt in elk geval niet weg dat er soms toch interessante input is te halen uit zo’n enquête.

Recent is mijn Beeld en Geluid-project geëvalueerd, en ook daar had ik op een hogere respons gehoopt. Zo’n 35 % van de studenten hadden de moeite genomen om de enquête in te vullen. Gelukkig met een overwegend positief resultaat: op bijna alle onderdelen heeft het project hoger gescoord dan vorig jaar. Als rapportcijfer kreeg het project een 6,45; een kwart punt hoger dan vorig jaar.

Er is echter nog genoeg ruimte voor verbetering (zoals dat rapportcijfer ook al aangeeft). Inmiddels heeft het eerste overleg met de opdrachtgever alweer plaatsgevonden, en hebben we de intentie uitgesproken ook volgend jaar door te gaan. Een aantal aspecten zal daarbij aangepast worden.


Competenties

2 december 2009

Een toverwoord: competenties. Vaak gepresenteerd als de oplossing voor alle problemen: ja, maar wij zijn competentiegericht! (Waarvan de vrije vertaling dan vaak moet luiden: ons onderwijs is van hoge kwaliteit, volgens de spreker althans.) Niet te verwarren met: zij zijn nog niet competentiegericht, als in, die instelling stelt niets voor.

Toverwoord? Meer een dooddoener. Want zuiver competentie-gericht zijn zegt nog niets over het onderwijs. Het zegt wel iets over de koppeling van het onderwijs met de praktijk – want de competenties zijn de eerste link met de beroepspraktijk. Het is de vertaling van kennis, vaardigheden enzovoort die nodig is om in de beroepspraktijk te kunnen functioneren, naar het onderwijs toe. Om hier echter goed onderwijs op te baseren zullen die competenties nog wel vertaald moeten worden in leerdoelen – en ik mag hopen dat leerdoelen altijd al geformuleerd werden in onze onderwijsinstellingen.

Competenties zullen dus nog steeds uitgewerkt moeten worden, geoperationaliseerd zo je wil, in bruikbare onderwijsdoelen. Nu is het mijn vermoeden dat het daar nogal eens aan schort op de diverse onderwijsinstellingen. Immers, competenties worden vaak instellingsbreed geformuleerd, of in elk geval over meerdere jaren. En hoe zorg je er nu voor dat de vakken die de studenten aangeboden in voldoende mate bijdragen aan die competenties?

De controle of alle competenties in de loop der jaren aan de orde komen is nog wel te doen; controleren of alle competenties op het juiste niveau worden gehaald is al een stuk lastiger. Feitelijk zou je hiervoor ook op een andere, portfolio-achtige manier moeten toetsen. Ik denk echter dat een belangrijk probleem al eerder ligt: het is mijn stelling dat het bij de meeste instellingen ontbreekt aan een goede operationalisatie van de competenties. Natuurlijk zijn de competenties niet uit de lucht komen vallen, en je mag hopen dat het onderwijs ook is ingericht op die competenties; onderwijs verandert echter voortdurend, en de kans is dan groot dat de relatie tussen competenties en onderwijs verwatert.

Omdat daarnaast onze competenties dit jaar opnieuw geformulieerd zijn, zij wij bij onze propedeuse (opnieuw) bezig de competenties in kaart te brengen. Alle door ons geformuleerde competenties worden op dit moment aan het onderwijs getoetst: aan de docenten wordt gevraagd om aan te geven aan welke competenties in hun vak bijgedragen wordt, en ook in welke mate. Als het goed is gaat dit een zeer bruikbaar overzicht opleveren: of de competenties voldoende geborgd zijn in het curriculum, maar ook of er hiaten zijn.

De volgende stap is dan om een mechanisme te realiseren waarmee je continu controleert of de competenties voldoende aan bod komen, maar dat schuiven we nu nog maar even voor ons uit…


Flipperdeflip…

24 november 2009

Langzamerhand kunnen we met onze propedeuse-studenten technisch gesproken een beetje de diepte in. In de eerste periode hielden we ons nog heel erg bezig met basis-computervaardigheden, vanaf nu mogen de studenten ook echt iets maken. We vragen ze namelijk om voor het project van de tweede periode een filmpje te maken.

Hiervoor is een aantal Flip-videocamera’s aangeschaft. Afgelopen week mochten de studenten tijdens een college hier even mee experimenteren, en vanaf volgende week gaan ze met deze camera’s echt opnames maken. Ze zullen voor Beeld en Geluid namelijk de door hen voorgestelde oplossing moeten gaan visualiseren.

Voor veel studenten is dit de eerste keer dat ze echt iets moeten filmen. In de colleges van deze en vorige week krijgen ze daarom een spoedcursus video, met veel aandacht voor de techniek (cameravoering, -perspectieven, licht etc.) en voor het proces van het ontwerpen van een film: concept, scenario en storyboard. Over twee weken zullen ze met behulp van Microsoft MovieMaker gaan monteren.

Volgens mij zijn de studenten er klaar voor. Ze zijn in elk geval enthousiast gestart met het bedenken van ideeën, en ook het uitproberen van de camera vond men erg leuk. We zullen zien waar dat toe gaat leiden.


De kop is er af

11 november 2009

De trein is niet meer te stoppen: de kick-off van het project Beeld en Geluid is achter de rug. Gister togen zo’n 650 studenten van onze opleiding naar het instituut voor Beeld en Geluid. Daar kregen ze het eerste college van het project, en tegelijkertijd de mogelijkheid deze schatkamer van de Nederlandse historie eens van dichtbij te bekijken.

Doel van dit eerste college was vooral om de opdracht te verduidelijken. Wat is de organisatie van het project, en waar wil Beeld en Geluid eigenlijk naar toe? Bij een studentenpopulatie van deze omvang is het namelijk erg belangrijk om scherp te communiceren – iedere afwijking van de boodschap is achteraf erg lastig te herstellen. Ik denk dat we er goed in geslaagd zijn om de opdracht scherp neer te zetten.

Naast dit ‘officiële’ doel hoop je uiteraard ook dat studenten enthousiast worden door eens rond te kunnen lopen bij Beeld en Geluid. Iedere media-student hoort hier natuurlijk geweest te zijn. Iedereen werd dan ook in de gelegenheid gesteld om de Experience te bezoeken; daarnaast waren rondleidingen door het archief van Beeld en Geluid georganiseerd.

Een leuke opsteker was de feedback die we van deze rondleiders terugkregen: zij vonden de studenten erg geïnteresseerd, en gaven aan dat er veel vragen gesteld werden. Met zo’n goede start kan het hopelijk niet meer mis.