Column

21 januari 2011

Ik kom uit een familie van ‘pissige-briefjes-schrijvers’. Mijn vader kon zich regelmatig opwinden en in de pen klimmen. Volgens de overlevering was mijn grootvader echter de kampioen. Het was daarom leuk geweest als beiden mijn ingezonden brief in de Vrij Nederland van deze week nog hadden kunnen meemaken.

Het is waarschijnlijk op deze blog wel eens opgevallen: ik wil me nog wel eens opwinden zodra Frank Kalshoven over onderwijs schrijft. Ik vind zijn columns nogal eens gemakzuchtig. Zo ook zijn column in de eerste Vrij Nederland van dit jaar (die helaas nog niet online staat, link zal ik later toevoegen). Ik plaats mijn brief hier even integraal.

Vwo

Als onderwijskundige en docent mag ik graag een mening hebben over economische vraagstukken. Omgekeerd vind ik het dan ook interessant als iemand vanuit economisch perspectief zijn licht laat schijnen over onderwijszaken. Ik ben dan ook blij dat Frank Kalshoven in zijn column regelmatig aandacht besteedt aan het onderwijs.

De laatste maanden echter is er iets van herhaling in zijn stukken geslopen. Meermalen heeft hij ons laten weten dat hij vindt dat het VWO wel wat korter kan, dat daar geld mee bespaard kan worden. Een gedurfde stellingname, omdat het mij voor de hand lijkt te liggen dat een verkorte VWO een risico is voor onze kenniseconomie.

Het herhaaldelijk poneren van deze stelling zonder argumenten vind ik nogal goedkoop. Ik vertrouw er daarom op dat Kalshoven dit standpunt een volgende keer inhoudelijk gaat onderbouwen en de voor- en nadelen tegen elkaar af gaat zetten.

Voor alle duidelijkheid: mijn ergernis betreft vooral het herhaaldelijk poneren van deze stelling, en het ontbreken van argumenten. Eén keer zo’n stelling innemen kan, bij herhaling wordt wat mij betreft de roep om argumenten groter. Voor zover ik kan nagaan poneerde Kalshoven de stelling al in 2009, dus hij heeft alle tijd gehad om wat inhoudelijker te worden.

Advertenties

Twitter – wel of niet het echte leven?

18 januari 2011

Wat is een richtlijn? Is het positief of negatief? Hierover bestaan verschillende meningen, zo bleek vorige week. Het volgende was het geval: vorige week stond het onderwerp Twitter op de agenda van onze teamvergadering. Specifieker: de vraag of wij, als docenten of als organisatie, een twitterrichtlijn op moesten stellen.

Gezien de reacties vatten veel mensen het woord richtlijn negatief op, als beperkend. Ik heb daarom even de betekenis in Van Dale opgezocht:

richt·lijn de; v(m) -en aanwijzing voor te volgen gedrag

Die definitie vind ik bepaald niet negatief. Het gaat slechts om een aanwijzing. Goed, die behoor je kennelijk ‘te volgen’, en dat zou je negatief kunnen opvatten, maar dat is het dan ook wel.

Een collega twitterde de volgende definitie:

Richtlijnen: Zelfst. Naamw. Meervoud van richtlijn aanwijzing voor hoe iets moet en voor wat niet mag

Die is al een stukje negatiever. Je mag bepaalde dingen niet, en de dingen die wel kunnen, die moeten gelijk. Het eerste is negatief, het tweede zou je positief op kunnen vatten maar ik kan me voorstellen dat ‘iets moeten’ voor veel mensen ook negatief is.

De definitie die we in de teamvergadering gehanteerd hebben is de definitie van Van Dale. Daarmee kunnen we vaststellen waar het werkelijk om gaat: is het nodig om aanwijzingen voor het te volgen gedrag rond Twitter vast te leggen?

Mijn vervolgvraag is al vrij snel: waarom eigenlijk niet? We hebben immers ook richtlijnen voor hoe we ons in de klas dienen te gedragen. Persoonlijk denk ik dat er twee redenen kunnen zijn om geen richtlijnen vast te stellen: het is feitelijk een niche (het gebeurt zo weinig dat we er geen woorden aan vuil hoeven te maken) of het is zo onderdeel van het dagelijkse leven, dat er algemene richtlijnen gaan gelden voor het gedrag.

Dan is de vraag: gaat één van beide situaties op voor Twitter? Het lijkt me dat Twitter inmiddels te groot is om te negeren. Iedereen mag uiteraard voor zichzelf bepalen of hij of zij wil twitteren; maar als instelling kun je Twitter niet negeren. Voor je studenten zal het gewoon een medium zijn, en het is denkbaar dat ze op Twitter dingen zeggen over je onderwijs, je docenten en wat niet meer. Daarnaast wordt het ook gelezen; het zou daarmee ook voor de instelling gezien moeten worden als een medium dat je in kunt zetten als onderdeel van je eigen communicatiestrategie.

Dat brengt dan wel met zich mee dat je na moet denken over het gebruik ervan. Op welke wijze zetten we het in? Gebruiken we het voor roosterzaken, voor interessante links of voor beiden? Wil je een bepaalde toon aanslaan? En hoe ga je om met studenten die op Twitter zich op onaangename wijze uiten over docenten?

Daar gaan we niet gelijk een antwoord op vinden. Ook veel bedrijven zijn hier nog niet uit, gezien een artikel in De Volkskrant – of stellen zich op zijn minst verschillend op. Het lijkt mij echter verstandig om met die vraagstukken bezig te zijn. Of je dat een richtlijn wilt noemen is een tweede. Ik persoonlijk ben daar niet bang voor. 🙂

PS: Ook een leuk bijeffect is dat mensen het idee voor de richtlijn meteen aan jou toeschrijven als je er over twittert. En denken dat jíj het gebruik van Twitter wil beperken. 😉