Engels

23 februari 2010

Het werk in de toetscommissie raakt aan mijn motto: nergens verstand van hebben, maar overal over mee kunnen praten. Immers, je krijgt de nodige tentamens onder ogen over onderwerpen waar ik niet in doorgeleerd heb: Marketing, Media & Maatschapij, Management & Organisatie… Dit is de ene keer een groter probleem dan de andere: zo weet ik weinig van Marketing, maar ben ik volgens mij toch redelijk in staat om dat tentamen kwalitatief bij te sturen. Ook bij andere tentamens gaat dat redelijk goed.

Toch is het gebrek aan inhoudelijke kennis wel eens lastig. Gek genoeg ondervind ik de (misschien wel) grootste problemen bij Engels, terwijl ik daar nu juist weer redelijk onderlegd ben. Althans, ik haalde behoorlijke cijfers op het VWO, en breng mijn kennis daarna op gezette tijden in de praktijk. Het blijft echter lastig om een tentamen Engels inhoudelijk te checken.

Wat mij parten speelt is de bias die je hebt door mijn eigen kennis van de taal – die kennis lijkt als het ware de objectieve kijk te vertroebelen. Want: hoe beoordeel ik bijvoorbeeld de moeilijkheidsgraad van een tentamen Engels? Over de formulering van de vragen is het al evenmin makkelijk een oordeel te vellen, want zo perfect is mijn kennis van de taal niet dat ik zinnen durf te verbeteren.

Onze tentamens Engels bestaan normaal gesproken uit een aantal teksten met bijbehorende vragen, en een deel Vocabulary. In de praktijk doe ik daarom meestal het volgende: ik lees de teksten, en probeer de bijbehorende vragen te maken. Wanneer ik twijfel over alternatieven, is dat normaal gesproken een aanleiding om de vraag te bespreken met de maker van het tentamen. Tegelijkertijd probeer ik aan de hand van mijn hoeveelheid twijfels een inschatting te maken van de moeilijkheidsgraad. (Ik mag tenminste hopen dat het feit dat ik deze keer een onvoldoende haalde, aangeeft dat dit een erg moeilijk tentamen was.) Uiteraard let ik ook op tikfouten en dergelijke.

Ik denk dat we hiermee in elk geval een zorgvuldige laatste check uitvoeren. Toch bekruipt me soms de gedachte dat er meer mogelijk moet zijn. Ik houd me aanbevolen voor suggesties!


And the winners are…

19 februari 2010

En alweer een mijlpaal: afgelopen woensdag zijn de prijzen uitgereikt aan de studenten voor het Beeld en Geluid-project. En waar we in eerste instantie van plan waren 3 prijzen uit te reiken zijn er uiteindelijk 7 groepen in de prijzen gevallen.

Er waren in totaal 3 categorieën: beste concept, beste film en een overall-categorie. De kwaliteit bleek uiteindelijk zo hoog te liggen, dat er besloten is om in elke categorie ook een runner-up prijs toe te kennen. Dat bracht het aantal prijzen op 6. Omdat de basis voor het Instituut Beeld en Geluid feitelijk het onderzoek is dat de studenten moesten uitvoeren, is besloten om ook een prijs toe te kennen aan die groep die het onderzoek zo had opgezet dat het de bruikbaarste resultaten opleverde voor Beeld en Geluid.

Omdat het nu het tweede jaar is dat we dit project in samenwerking met Beeld en Geluid doen, konden er wat vergelijkingen getrokken worden. Belangrijk was dat de kwaliteit over het geheel genomen toegenomen was. Tegelijkertijd bleek dat creativiteit in de concepten voor veel studenten lastig bleek. De prijswinnaars echter lieten dingen zien die in een professionele studio niet misstaan hadden.

Wat ook opviel: het enthousiasme en de oprechte verrassing bij de prijswinnaars. De prijzen waren dan ook erg leuk: de winnaars mogen hun idee bij Beeld en Geluid pitchen, en bovendien zijn zij de eerste, trotse, bezitters van de Beeld en Geluid VIPkaart, waarmee zij een jaar lang gratis Beeld en Geluid kunnen bezoeken.

Binnenkort hoop ik nog wat voorbeelden van werk te kunnen posten.


Beloofbaar

16 februari 2010

In deze periode geef ik in onze minor ‘Marketing van de Creatieve Sector‘ de module ‘Projectmanagement’. Tijdens de aftrap van die lessenserie, gisteren, introduceerde ik voor de studenten het begrip ‘beloofbaar’ als alternatief voor de term SMART. Mijn projectmanagement-goeroe, Rudy Kor, gebruikte die term ooit in een cursus die ik bij hem volgde en hij is altijd blijven hangen.

De term is vooral belangrijk bij het afstemmen van het projectdoel tussen opdrachtgever en projectleider, en heeft tot doel te voorkomen dat een projectleider opgezadeld wordt met het niet na kunnen komen van zo’n doel. Het SMART maken van een doel kan de grootste problemen helpen voorkomen, maar Kor zocht een term die het geheel kon afdekken. De oplossing was de term ‘beloofbaar’: immers, voor Groninger als Kor zijn beloftes iets dat je altijd nakomt. Toen hij de term besprak met een Limburgse collega bleek echter de nuance van de term: voor een Limburger is een belofte vaak iets wat je misschien gaat doen. Limburgers beloven veel vaker iets dan Groningers. Dus: het ligt minder absoluut dan in eerste instantie gedacht.

Desalniettemin vind ik het een fijne metafoor om de afspraken tussen opdrachtgever en projectleider te benadrukken. En de anekdote geef ik er gewoon elke keer bij, dan begrijpen de Limburgers het ook. Sterker, het geeft de term nog meer inhoud.

Al ben ik dan een noorderling, ik moet toch de conclusie trekken dat beloven voor mij ook niet zo absoluut ligt. Ik beloofde jullie immers dat ik regelmatig zou schrijven over de voortgang van het project Beeld en Geluid, en dat heb ik dus niet gedaan. En dat terwijl morgen de prijsuitreiking (voor de beste concepten en producten) al plaatsvindt. Dit persoonlijke doel bleek met terugwerkende kracht niet beloofbaar.


Viral

11 februari 2010

Een leuk voorbeeld van viral marketing gisteren: een collega van mij sleutelde een filmpje in elkaar waarin mijn foto verwerkt zat. Dit deed vervolgens snel de ronde onder collega’s. Uiteindelijk gebruikte zelfs één van die collega’s het filmpje tijdens een college in de propedeuse als voorbeeld van viral marketing. Helaas niet met mijn kop…


Kalshoven en tijdschrijven

3 februari 2010

En ik maar denken dat ik dit artikel gepubliceerd had… bleek het gewoon nog in de wachtrij te staan. Geen wonder dat het zo lang stil bleef op mijn blog. Inmiddels is het wat verouderde kost, maar ik wil jullie het artikel toch niet onthouden – bovendien wil ik graag dat mijn inspanningen zich uitbetalen. 😉

Frank Kalshoven en onderwijs, ik vind het geen gelukkige combinatie. Al eerder schreef ik over een column van Kalshoven in Vrij Nederland, waarin hij wel erg kort door de bocht ging over onderwijs. En dat herhaalt hij in de VN van deze week.

Er is het nodige te doen geweest over het advies van de Onderwijsraad over tijdschrijven. In het rapport ‘Naar doelmatiger onderwijs; zes manieren om het doelmatigheidsbesef in het onderwijs te verbeteren‘ adviseerde de Onderwijsraad om (onder andere) het tijdschrijven in het onderwijs in te voeren. Plasterk ging hier middels een ingezonden brief in de Volkskrant fel tegenin.

Plasterk had mij als medestander, maar Kalshoven dus niet, blijkt uit zijn column van deze week. Zijn punt: tijdschrijven is een uitstekend instrument om de doelmatigheid en kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Dat ben ik ook nog met hem eens. Het laat echter een ander element uit de discussie volkomen onbelicht.

Veel (hoger) onderwijs-instellingen hebben namelijk al een tijdschrijf-systeem. Bij onze instelling heet dat de taaklast. Voor iedere taak die een docent op zich neemt, of het nu gaat om colleges, practica, onderwijsontwikkeling of iets anders, staat een vast aantal uren. Het gaat daarbij niet alleen om de uren die het kost om een les te geven, maar ook om voorbereidingstijd. En dat allemaal keurig gerubriceerd per soort activiteit: voor een uur college staan bijvoorbeeld meer uren dan voor een practicum, omdat het voorbereiden van een practicum in onze onderwijsopzet doorgaans meer uren vraagt.

Met andere woorden: docenten krijgen taken toegewezen, en die taken tellen op tot een totaal voor een bepaalde periode. In principe zou dus eenvoudig aan een taaklast te zien moeten zijn wanneer een docent ‘vol’ is. Maar nu komt het leuke: de dagelijkse werkelijkheid is vaak anders. Helaas kan het heel goed zo zijn dat een docent die volgens de taaklast voor 100 % bezet is, in praktijk veel te veel uren draait.

De conclusie moet dus zijn dat er op veel instellingen een (potentieel) goed systeem bestaat om doelmatigheid en kwaliteit in het onderwijs te vergroten. Is het dus raar dat veel docenten in opstand komen? Nee, want het advies voelt als het afwentelen van een tekort van een bestaand systeem (waarbij de druk op het management ligt) op de werknemers (die al in veel gevallen teveel uren draaien). De omgekeerde wereld dus.

Wat overblijft is de mogelijkheid dat Plasterk dit niet inzichtelijk genoeg gemaakt heeft in zijn brief, of dat hij wellicht niet eens van het bestaan van taaklast-achtige systemen afweet. In dat geval kloppen zijn argumenten niet, maar met de conclusie kan ik het alleen maar eens zijn.