De onderwijsagenda

9 december 2009

Eigenlijk had ik me voorgenomen me afzijdig te houden: ik wilde mijn mening over de stellingen in de Onderwijsagenda niet kwijt. Ik ben normaal gesproken niet te beroerd mijn mening te geven (waarvoor heb je anders een blog), maar in dit geval heb ik in eerste instantie gepast. Tot Havana, het weekblad van de HvA, belde. Dan houd ik mijn mond natuurlijk niet.

De voornaamste reden om niet te reageren op de Onderwijsagenda is dat ik het niet zo interessant vind om te stemmen op dingen die mis zijn in het onderwijs. Natuurlijk, ik heb een mening, en het is op de site van de Onderwijsagenda ook mogelijk die mening toe te voegen. Ik heb echter niet de illusie dat daar iets mee gebeurt.

Daarbij komt dat ik ook vind dat er buitensporig veel aandacht is voor organisatorische zaken: teveel organisatorische rompslomp, te grote klassen. Dat weten we nu wel, en in veel gevallen weten we ook hoe we het moeten oplossen. Die groep aan stellingen vind ik dus niet zo interessant.

Een andere groep van stellingen is interssanter, maar daar ontbreekt dan weer de inhoudelijke uitwerking: het taal- en rekenniveau van kinderen is te laag, de inhoudelijke kennis van docenten is te mager. Prima, ik geloof ook dat het voor een belangrijk deel zo is, maar kom dan maar met oplossingen – dat is nog niet zo eenvoudig. Juist voor die oplossingen is niet veel ruimte op de site.

(Een derde groep stellingen gaat overigens in op de relatie school-ouders. Dit is wel een heel interessant onderwerp, maar dat vergt juist een hele uitgebreide discussie.)

Overigens: men vroeg mij te reageren op de stelling: ‘Het monopolie op kennis bij de docent is verdwenen met de komst van internet’. Lees mijn reactie op pagina 17 van de Havana van deze week. Excuses dat ik zo boos kijk trouwens; misschien omdat Havana mij niet heeft gevraagd op de rammelende constructie van de stelling… šŸ˜‰


Competenties

2 december 2009

Een toverwoord: competenties. Vaak gepresenteerd als de oplossing voor alle problemen: ja, maar wij zijn competentiegericht! (Waarvan de vrije vertaling dan vaak moet luiden: ons onderwijs is van hoge kwaliteit, volgens de spreker althans.) Niet te verwarren met: zij zijn nog niet competentiegericht, als in, die instelling stelt niets voor.

Toverwoord? Meer een dooddoener. Want zuiver competentie-gericht zijn zegt nog niets over het onderwijs. Het zegt wel iets over de koppeling van het onderwijs met de praktijk – want de competenties zijn de eerste link met de beroepspraktijk. Het is de vertaling van kennis, vaardigheden enzovoort die nodig is om in de beroepspraktijk te kunnen functioneren, naar het onderwijs toe. Om hier echter goed onderwijs op te baseren zullen die competenties nog wel vertaald moeten worden in leerdoelen – en ik mag hopen dat leerdoelen altijd al geformuleerd werden in onze onderwijsinstellingen.

Competenties zullen dus nog steeds uitgewerkt moeten worden, geoperationaliseerd zo je wil, in bruikbare onderwijsdoelen. Nu is het mijn vermoeden dat het daar nogal eens aan schort op de diverse onderwijsinstellingen. Immers, competenties worden vaak instellingsbreed geformuleerd, of in elk geval over meerdere jaren. En hoe zorg je er nu voor dat de vakken die de studenten aangeboden in voldoende mate bijdragen aan die competenties?

De controle of alle competenties in de loop der jaren aan de orde komen is nog wel te doen; controleren of alle competenties op het juiste niveau worden gehaald is al een stuk lastiger. Feitelijk zou je hiervoor ook op een andere, portfolio-achtige manier moeten toetsen. Ik denk echter dat een belangrijk probleem al eerder ligt: het is mijn stelling dat het bij de meeste instellingen ontbreekt aan een goede operationalisatie van de competenties. Natuurlijk zijn de competenties niet uit de lucht komen vallen, en je mag hopen dat het onderwijs ook is ingericht op die competenties; onderwijs verandert echter voortdurend, en de kans is dan groot dat de relatie tussen competenties en onderwijs verwatert.

Omdat daarnaast onze competenties dit jaar opnieuw geformulieerd zijn, zij wij bij onze propedeuse (opnieuw) bezig de competenties in kaart te brengen. Alle door ons geformuleerde competenties worden op dit moment aan het onderwijs getoetst: aan de docenten wordt gevraagd om aan te geven aan welke competenties in hun vak bijgedragen wordt, en ook in welke mate. Als het goed is gaat dit een zeer bruikbaar overzicht opleveren: of de competenties voldoende geborgd zijn in het curriculum, maar ook of er hiaten zijn.

De volgende stap is dan om een mechanisme te realiseren waarmee je continu controleert of de competenties voldoende aan bod komen, maar dat schuiven we nu nog maar even voor ons uit…


Tutoroverleg

1 december 2009

Het project Beeld en Geluid is inmiddels een aantal weken onderweg, en zo langzamerhand krijg ik steeds meer zicht op de voor- Projectwerken nadelen van het projectcoƶrdinator-schap. Nadelen zegt u? Jazeker, het is niet allemaal rozegeur en maneschijn. De positieve gevoelens overheersen, maar het is een flinke klus.

Aan de positieve kant vooral het feit dat je op alle onderdelen van het project invloed uitoefent, en dus een flinke vinger in de onderwijspap hebt. Al is dat niet altijd even makkelijk: mijn kennis van bijvoorbeeld Marketingcommunicatie of Media en Maatschappij is beperkt, wat maakt dat ik niet altijd een mening heb. Je moet dus ook op het oordeel van je collega-docenten kunnen vertrouwen.

De negatieve kant vind ik vooral dat ik soms het gevoel heb op eieren te moeten lopen. Er zitten zoveel variabelen aan zo’n project, dat iedere kleine afwijking grote gevolgen kan hebben. Eigenlijk moet je overal voortdurend bovenop zitten: je bent de spin in het web, je moet alles weten en vooral kunnen inschatten of je in moet grijpen. En wil je ingrijpen, dan moet je er vlug bij zijn; anders is de geest wellicht al uit de fles.

Bij een project op onze instelling worden studentengroepen bij het uitvoeren van de opdracht begeleid door zg. tutoren. Dit zijn ‘gewone’ docenten in de functie van procesbegeleider: zij zijn op dat moment niet actief als inhoudelijk expert, maar moeten de studenten sturen op hun proces. Dus: hoe communiceert men met elkaar, hoe gaat de samenwerking, hoe kunnen de studenten de kwaliteit van het geleverde werk verhogen?

Omdat de rol van een tutor in een project erg belangrijk is (zij zijn toch vaak het eerste aanspreekpunt voor de studenten) kies ik ervoor om alle tutoren regelmatig persoonlijk te spreken. Dat klinkt eenvoudiger dan het is: het zijn er namelijk 30. Op zich lukt dat aardig, maar je ontkomt er niet aan om ook op gezette tijden een overleg te organiseren. Daar manifesteert het op eieren lopen zich het duidelijkst: tutoren zijn erg betrokken, wat natuurlijk positief is, maar ze willen ook allemaal graag hun zegje doen over het project. Het is soms best lastig om als projectcoƶrdinator de touwtjes in handen te houden, en de richting van het project niet te laten beĆÆnvloeden door de input van tutoren.

Zo’n tutoroverleg zal dus nooit mijn hobby worden. Geef mij maar persoonlijk contact.