Digitale carriere branding

30 maart 2009

Een collega van mij wees me op een artikel over Digitale carriere branding op Molblog. De teneur van dit artikel is dat marketingstudenten weinig activiteiten ondernemen om hun persoonlijke merk digitaal in de markt te zetten, om zo hun kansen op een baan te vergroten. In het algemeen geen goede zaak, maar in het bijzonder voor marketing-studenten verrassend en niet goed.

Eén van de vragen uit deze post kan ik beantwoorden: ja, ik denk dat wij met onze opleiding meer aandacht moeten besteden aan deze fenomenen. Dat vind ik niet alleen voor personal branding belangrijk, maar in algemene zin is het goed dat studenten gedegen kennis hebben van wat er zoal leeft in o.a. social networking.

De neiging is groot om te zeggen dat het ook met de kennis van onze studenten op dit gebied mager gesteld is. Het is hard werken om zo in het eerste jaar de studenten te introduceren tot de basis van ICT. Weinig kennis van Excel of HTML wil echter nog niet zeggen dat iemand niet actief is op intranet. Dus is het hoog tijd dat ik me vragen stel als: hoeveel studenten bloggen er, en waarover? Wie maakt er gebruik van Twitter, en op welke manier?

Ik heb navraag gedaan bij collega’s, en ook zij hebben hier niet goed zicht op. Vandaar dat ik – in overleg met afstudeercoördinatoren – ga nadenken over een onderzoeksopdracht aan onze student. En wellicht hebben jullie nog suggesties voor onderzoeksvragen!

Update: Op Frankwatching is net een review geplaatst van een boek over Personal Branding. Doe er je voordeel mee.

Advertenties

Curriculumherziening

27 maart 2009

Nou ja, dat is een groot woord. Maar afgelopen woensdag hebben we met een deel van de propedeuse-collega’s (te weten de projectcoördinatoren, de SLB-coördinator en ik) rond de tafel gezeten om eens lekker het programma van volgend jaar in elkaar te timmeren. Altijd een leuke sessie, zo met de handen bezig zijn.

Er zitten een paar elementen in waar ik enthousiast over ben:

  • Er komt meer aandacht voor projectvaardigheden/projectmanagement, en dat wordt beter in het curriculum ingebed;
  • Het karakter van Presenteren wordt veranderd, wordt minder ‘spreekbeurt houden’ en gaat meer in de richting van het commerciële (‘pitchen’)
  • Het internationale element wordt versterkt.

Uiteraard moet het één en ander nog verder in detail worden besproken. Het is nu alleen nog ‘en petit comité’ zoals een collega van mij altijd zo mooi zegt besproken, hoewel de teamleiders van de andere profielen er wel al zijdelings bij betrokken zijn geweest – en dat is positief.

Uitdaging: één van mijn vakken, altijd een beetje krom Computervaardigheden geheten, zal in samenhang met o.a. projectvaardigheden gegeven gaan worden. Dat betekent dat er een flinke herziening plaats moet gaan vinden. Het vak valt in periode 1 en zal dus in de komende periode herzien moeten gaan worden. Weer extra uren! Maar zo’n herzieningsklus laat ik niet zomaar vallen.


ELO’s en de betekenis voor leren

24 maart 2009

Ik heb een kleine leesachterstand, dus ik las nu pas de entry op de blog van Marcel de Leeuwe, die mede als reactie op een opmerking van mij tot stand gekomen is. Op Twitter ontspon zich een discussie over de waarde van ELO’s, en wat nu precies een ELO is. Naast mij bleek ook Kaj Rietberg niet meteen van de positieve kanten van een ELO overtuigd (als ik dat zo mag zeggen Kaj).

Al jaren volg ik de ontwikkelingen rond ELO’s met de nodige scepsis. Dit stamt al uit de tijd dat ik ICTO coördinator/informatiemanager was bij de Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Ons werd destijds min of meer gedwongen om Blackboard te gaan gebruiken, terwijl binnen de faculteit een prachtig intranetsysteem ontwikkeld was, wat relatief makkelijk uit te bouwen was tot wat je nu een ELO zou noemen.

Ik geef toe, mijn mening is hierdoor niet geheel neutraal. En toch ook gestoeld op argumenten. Want: het invoeren van een ELO is (veel) meer dan het binnenhalen van een stuk techniek. Een ELO moet het onderwijs ondersteunen en faciliteren. Je moet je daarom voor implementatie goed afvragen waar je met het onderwijs naar toe wilt, en de keuze van een ELO daarop aanpassen. Juist dat wordt vaak vergeten – en zeker in het geval van de UvA werd die slag overgeslagen.

Feitelijk bleek Marcel echter mijn mening over ELO’s in grote lijnen te delen. In één van de commentaren wordt dan wel geroepen dat BSCW, een omgeving die wij hier met redelijke tevredenheid gebruiken, moet verdwijnen (Ban de PPT/PDF/DOC omgevingen!), hij stelt feitelijk ook dat zo’n omgeving wel degelijk onderdeel kan uitmaken van een ELO.

En zo haal ik ruim 10 jaar na dato toch nog een beetje mijn gram. (Overigens heeft het bovenstaande ook implicaties voor portfolio’s, maar daarover een andere keer meer.)


Weblectures

24 maart 2009

Afgelopen vrijdag gaf ik om half 3 een college Websitebouw, een college dat ik twee keer per week geef. Waar er eerder deze (woensdagochtend) 40 studenten kwamen opdagen, bleek er nu één (1) student in de zaal te zitten – waar er per college maximaal 100 studenten te verwachten waren. Een teleurstelling, zoals u begrijpt.

Van tevoren had ik hier al rekening mee gehouden; de afgelopen weken waren de opkomstpercentages al zeer wisselend. Natuurlijk is het niet zo dat er alleen maar sprake is van studenten die niet komen opdagen, en zelfs als dat al zo is, bestaat de kans dat het geboden onderwijs gewoon niet goed genoeg is. Daar zullen we dan ook kritisch naar moeten kijken. Ik merk echter ook dat studenten ‘shoppen’ – dus zelf kijken of ze een ander moment een college bij kunnen wonen (dat hun beter uitkomt).

Binnen de HvA wordt al op vrij ruime schaal gebruik gemaakt van zg. ‘web lectures’. Helaas nog niet op ons instituut. Er zijn wel docenten die hun eigen colleges opnemen, maar die doen dat in de vorm van een podcast. Op die manier mis je mijns inziens een aantal (interactieve) mogelijkheden die een web lecture wel biedt. Persoonlijk denk ik dat het hoog tijd is dat wij als instituut gestructureerd gebruik maken van dergelijke mogelijkheden, aan de ene kant om de studenten meer ter wille te zijn, aan de andere kant om ons als docenten effectiever in te zetten (zie ook dit commentaar van Sander Schenk op een eerdere blog).

Wel denk ik dat we op dit gebied nog een lange weg te gaan hebben. Niet iedere docent is hier enthousiast over, velen vrezen ook enerzijds een lage opkomst voor colleges (wat ik persoonlijk helemaal niet erg vind) of denken dat de studenten de opgenomen lessen helemaal niet zullen bekijken. In dat laatste geval doen wij toch ook als docenten iets niet goed, lijkt mij.

Mocht u het zich afvragen, ik heb het college gewoon gegeven. 🙂


De moderne student

23 maart 2009

Eén van de dingen waar ik mee worstel als docent is de vraag hoe onderwijs zo in te richten dat de beste aansluiting wordt verkregen bij de leefwereld en stijlen van de studenten. Toen de Volkskrant op 7 maart een speciale bijlage uitgaf waarin onder andere aandacht werd besteed aan technologie in het onderwijs, heb ik die dan ook met meer dan normale aandacht gevolgd. In deze bijlage werd in een artikel aandacht besteed aan Wim Veen, en diens theorie van de ‘Homo Zappiens‘: de multi-taskende mens. Parallellen met deze opvatting zien we bijvoorbeeld ook terug in het boek ‘Generatie Einstein‘ van Inez Groen en Jeroen Boschma.

Hoewel ik sympathie koester voor deze opvattingen, en zeker denk dat een groot deel van deze theorieën klopt, worstel ik al een tijdje met de vraag waarom ik als docent toch niet succesvol ben in het onderwijs waarin ik rekening probeer te houden met deze aspecten. Natuurlijk ben ik, alleen al door mijn leeftijd, geen digital native, maar een digital immigrant – toch is deze verklaring voor mijn gevoel niet afdoende voor dit ‘falen’.

Je hoort mij nu niet ineens zeggen dat ik het antwoord heb gevonden, maar de afgelopen weken heb ik een tweetal berichten een bericht dat mijn denken wat verder richting heeft gegeven. In de Trouw van 19 maart 2009 stond een artikel over de gevolgen van gratis producten en diensten, die ons sinds internet overspoelen, en verder denk ik dat de veranderde houding van de jeugd ten opzichte van autoriteit een belangrijke rol speelt.

Zoals Fred van Raaij, hoogleraar economische psychologie aan de Universiteit van Tilburg, stelt dat consumenten tegenwoordig vooral bezig zijn met de vraag: wat levert het mij persoonlijk op? Dezelfde vraag speelt denk ik bij onderwijs: veel zaken zijn niet meer vanzelfsprekend. Wanneer een boek wordt voorgeschreven voor een cursus, wordt dat boek niet standaard aangeschaft. Nee, studenten gaan eerst kijken of dat boek wel daadwerkelijk nodig is. Ook bij lessen moet je met goede argumenten aankomen om ze naar de les te trekken. Niet noodzakelijkerwijs slecht, maar wel een gegeven waar je rekening mee moet houden. (Overigens herken ik hetzelfde consumentengedrag bij mezelf: het is dus absoluut geen kritiek.)

Daar doorheen speelt nog eens de veranderde houding ten opzichte van autoriteit (wat overigens wel veel raakvlakken heeft met en de homo zappiens, en de gratis-mentaliteit).  De docent is voor de student niet langer zuiver de expert, de brenger van kennis. Hij of zij moet die positie eerst bewijzen. Laten we dat dan maar eens doen. Ik moet er nog harder aan trekken.


Toetsmiddag

17 maart 2009

Over twee weken gaan wij met ons team een middag besteden aan toetsen. Niet voor het eerst dat dit gebeurt, maar het blijkt belangrijk hier aandacht aan te blijven besteden. Het samenstellen van een goede toets is een wetenschap op zich – en niet iedereen heeft hier evenveel ervaring mee. Bovendien werken wij in ons team, vanwege onze grote studentenpopulatie, vooral met meerkeuzetoetsen – en het maken van een goede meerkeuzetoets is moeilijker dan het lijkt.

We hebben daarom de afdeling OrO (Onderwijsresearch en Onderzoek) gevraagd om ons hierin te trainen. Gisteren hadden we een eerste overleg met de mensen van OrO om dit verder invulling te geven. Belangrijke voorwaarde van onze kant is om deze middag praktijkgericht in te vullen. Niet iedere docent wordt gelijk enthousiast van begrippen als p-waarde, itemcorrelatie en variatie; het is bovendien niet noodzakelijk om al deze begrippen te kennen en toch een goede toets samen te kunnen stellen.

Grofweg wordt de middag onderverdeeld in drie onderdelen. In het eerste deel worden een aantal toetsbegrippen toepassingsgericht behandeld. Hierbij is ook aandacht voor de wijze van vraagstelling. Waarom is het niet handig om twee stellingen te bevragen in 1 vraag? Waarom betekent het helder stellen van een vraag niet meteen dat de vraag makkelijker wordt? In het tweede deel van de middag gaan we vervolgens op basis van deze kennis met eigen toetsen praktisch aan het werk. Hoe kunnen we onze eigen toetsen nog verder verbeteren?

Persoonlijk ben ik er van overtuigd dat we ook nog veel kwaliteitswinst kunnen halen door competenties, leerdoelen en toetsdoelen explicieter te maken en beter te koppelen. Dit wordt ook wel toetsmatrijs genoemd, en kun je realiseren met bijvoorbeeld de taxonomie van Bloom waarover Erwin de Beer recentelijk blogde. Uiteindelijk kun je hiermee vele kanten op, maar mij gaat het vooral om om duidelijker te maken wat je wil toetsen, en hoe je dit in niveaus onderverdeelt – kennis, inzicht en vaardigheden dus. Hier gaan we tijdens de middag ook tijd aan besteden, maar eerlijk gezegd denk ik dat we de handen vol hebben aan de eerste twee delen. Wat mij betreft gaan we dit dan reserveren voor een vervolgbijeenkomst.

Tot slot een link naar een boek dat ik zelf altijd prettig vind voor naslag: Toetsen in het hoger onderwijs. Ik weet dat veel mensen dit boek te theoretisch vinden, maar ik heb er zelf veel aan; voor praktijkgerichter alternatieven houd ik me aanbevolen.


Effectiviteit groepswerk

16 maart 2009

In Trouw stond afgelopen zaterdag een artikel over de oprichting van het Internationaal Forum Onderwijspraktijk, een nieuw netwerk dat een verbinding wil maken tussen internationaal wetenschappelijk onderzoek en de onderwijspraktijk. Hoewel dit netwerk zich met name richt op basis- en voortgezet onderwijs, kan uit een aantal opmerkingen het HBO ook wel degelijk lering trekken.

Belangrijkste opmerking die bij mij bleef hangen was dat groepswerk in het onderwijs in de praktijk niet werkt, of dat het op zijn minst strak geleid moet worden. “Zodra de docent wegkijkt, valt de aandacht van sommige groepsleden weg.” Uiteraard verwachten wij van HBO-studenten meer zelfstandigheid op dit gebied, en dat mag ook, maar mijn ervaring is dat groepswerk ook op HBO-niveau een strakke leiding vraagt – en dat die leiding van docenten vaak te wensen over laat.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet tegen groepswerk. Integendeel. Ik vind echter wel dat groepswerk een gestructureerde aanpak vraagt. School docenten, begeleid docenten. Denk als opleiding na over wat je beoogt met je groepswerk – het is deel van het onderwijs, dus er zijn leerdoelen aan te koppelen. Zorg voor een duidelijke leerlijn in de projecten. Ontwerp een kader waar je projectwerk in valt,

Het Ifo had overigens voor de oprichting onderwijsveteraan Michael Fullan uitgenodigd (diens “Meaning of Educational Change” uit 1982 was al in mijn studietijd een standaardwerk). Hij brak op de bijeenkomst een lans voor meer samenhang tussen wetenschappelijk onderzoek en de onderwijspraktijk, waar ik me alleen maar van harte bij aan kan sluiten. Er is veel veranderd in onderwijsland, en docenten kunnen achter de gesloten deuren van hun lessen lang niet meer zelf doen waar ze zin in hebben. Toch is meer aandacht voor wetenschappelijk onderzoek, en meer contact tussen docenten onderling, hard nodig. Wat is er nu vruchtbaarder voor het niveau van je lessen dan sparren met je vakgenoten, en gebruik maken van nieuwe methoden?