Onderwijsflexibilisering

8 september 2009

Er is al veel over gezegd, de onderwijsherziening die minister Plasterk aankondigde op zijn nieuwjaarstoespraak bij de Universiteit Twente. Nou ja, onderwijsherziening; Plasterk wil vooral onderzoeken hoe het huidige stelsel van HBO en universiteit geflexibiliseerd kan worden. Met een scheef oog kijkt hij daarbij naar het, volgens hem, zeer succesvolle Californische stelsel. Tot nu toe heb ik er hier nog niets over gezegd, maar ik wil toch even een paar observaties maken.

Allereerst: persoonlijk denk ik dat het goed is kritisch naar het onderwijs te blijven kijken. Het is waar dat we in het verleden nogal veel onderwijsherzieningen hebben gekend, en dat is absoluut een probleem geweest is voor het onderwijs. Toch moeten we niet de hakken in het zand gaan zetten, en helemaal niets meer herzien. Laten we kijken naar de mogelijkheden om binnen de huidige kaders toch naar verbeteringen te zoeken.

Toch zijn er zaken die absoluut aangepakt moeten worden, zelfs als dat alleen met een forse ingreep kan. Al eerder schreef ik op deze blog dat we de doorstroming in ons onderwijsstelsel moeten verbeteren. Wanneer je goed naar het door Plasterk bewonderde Californische stelsel kijkt, zou je moeten zien dat één van de sterke kanten van dat stelsel bestaat uit de mogelijkheden om onderwijstypes te stapelen. Tot voor de laatste onderwijsherziening was dat stapelen in het Nederlandse stelsel ook goed mogelijk, maar juist daarin zijn we rigide geworden.

Het gevolg daarvan is dat we vroeg selecteren. En begrijp me niet verkeerd, selectie is goed; maar wanneer dat gepaard gaat met een vroeg eindstation voor veel leerlingen, schieten we volgens mij het doel voorbij. Ik ken talloze voorbeelden van mensen die op de MAVO begonnen zijn, maar uiteindelijk ook nog een HBO- of zelfs universitaire studie hebben afgerond. Ik durf de stelling aan dat deze mensen bijzonder goed presteren in de maatschappij. Laten we daar dus de flexibilisering zoeken.


Een nieuw jaar, een nieuw project

18 augustus 2009

In het HBO staan we weer aan het begin van een nieuw collegejaar. Dat geeft altijd weer een bijzonder gevoel, het brengt een zekere spanning met zich mij. En voor mij persoonlijk is die spanning nog wat groter, omdat er wat veranderingen op stapel staan.

Belangrijkste verandering is dat ik in periode 2 een zg. project ga coördineren. Bij onze opleiding krijgen de eerstejaars studenten iedere periode een nieuw project, waaraan de vakken in die periode zijn ‘opgehangen’. Daarbij wordt gestreefd naar ‘echte’ opdrachtgevers, en moet er een echt product gemaakt worden. Een echte praktijkopdracht dus, waarbij de benodigde theorie voor de opdracht behandeld wordt in de onderliggende vakken. In de eerste periode krijgen de studenten een opdracht van de Volkskrant voor hun kiezen; de opdrachtgever van ‘mijn’ project is Het Instituut voor Beeld en Geluid.

Een leuke en uitdagende taak. Omdat bijna alle vakken die in een periode gegeven worden ten dienste staan van het project, heb je namelijk als projectcoördinator ook inhoudelijk veel invloed op het onderwijs. Tegelijkertijd maakt die complexiteit het lastig om dingen te veranderen – de onderdelen van zo’n project hangen immers sterk met elkaar samen. Verander je bij het ene vak wat, dan heeft dat gevolgen voor een ander vak.

Het is de tweede keer dat we een project draaien met deze opdrachtgever. Veel dingen kunnen hetzelfde blijven, een aantal dingen moeten aangescherpt. Desalniettemin een flinke klus om dit project op een hoger plan te brengen. We zullen zien of ik hiertegen opgewassen ben.

Daarnaast ga ik ook bij een vak wat meer afstand nemen. Dat is het vak “Computervaardigheden”. Een collega neemt daar de coördinatie-taken over, waarbij ik wel op afstand betrokken blijf. Een goede zaak denk ik, om na een langere tijd – ik ben drie jaar modulecoördinator geweest, en heb het vak mede ontwikkeld – het stokje door te kunnen geven.


Weblectures – De stand van zaken (?)

22 april 2009

Eerder schreef ik al over de mogelijkheid van Webcolleges die de HvA aanbiedt, en het feit dat ik daar nog geen gebruik van maak. In een andere context dook dit gegeven weer op; vooral het feit dat dit kennelijk nog niet op alle hogescholen even vanzelfsprekend is was aanleiding voor mij om weer eens wat dieper in de materie te duiken.

Webcolleges aan de HvA

De webcolleges van de HvA (overigens in samenwerking met de UvA en nog een aantal andere instellingen voor hoger onderwijs) zijn feitelijk twee verschillende vensters naast elkaar: een venster voor video (over het algemeen de pratende docent) gecombineerd met een venster voor een PowerPoint presentatie. Het aardige van deze opzet is dat de timing van beide gesynchroniseerd kan worden: de juiste dia wordt getoond op het juiste moment van het college. Tijdens een live college is dat vanzelfsprekend, bij een webcollege wat mij betreft een voorwaarde voor het effectief inzetten ervan.

Toch worden, voor zover ik dat kan overzien, webcolleges nog niet in grote aantallen gebruikt. Ik heb het vermoeden dat dit vooral gerelateerd is aan de inzet: er moeten met name faciliteiten geregeld worden. Naast onbekendheid met het fenomeen (ik heb neit het idee dat de HvA erg sterk is in het promoten van de eigen instrumenten) waarschijnlijk de reden dat bijvoorbeeld een docent van mijn eigen opleiding liever podcasts maakt van zijn colleges. Het staat buiten kijf dat die minder interactief, en dus onderwijskundig minder, zijn dan de webcolleges.

In een onderzoek uit 2006 werden door docenten vooral de voordelen tijd- en plaatsonafhankelijk leren genoemd. Opvallend daarbij is dat de studenten dit voordeel niet noemen: zij lijken het vooral erg prettig te vinden dat ze de colleges vlak voor een tentamen herhaald kunnen bekijken. Interessant, omdat de vrees van veel docenten vaak lijkt te zijn dat met de beschikbaarheid van webcolleges, studenten niet meer naar het echte college zullen komen. Even los van de vraag of dit erg is, lijkt dit onderzoeksresultaat dat tegen te spreken.

Een praktische drempel die in elk geval in 2006 werd genoemd is het feit dat het systeem nog wel eens problemen vertoonde bij het tonen van filmpjes in de presentaties. Deze kwamen niet altijd goed getimed door, wat natuurlijk een probleem is bij een systeem waarvan de grootste kracht lijkt te zijn het synchroon kunnen tonen van de verschillende onderdelen.

De toekomst

Wat zijn nu mijn wensen met het systeem? Mijn belangrijkste wens op dit moment zou zijn om het nog interactiever te maken. Ik hoor vaak de klacht dat docenten alleen nog maar met PowerPoint (kunnen) werken. Deze klacht wordt geuit door zowel docenten als studenten. Wat in mijn ogen dan ook ontbreekt is de mogelijkheid om dynamische voorbeelden te maken, bijvoorbeeld diagrammen – eigenlijk de terugkeer van het bord. Ook zou het aardig zijn wanneer de mogelijkheid gecreëerd wordt voor input door de student – dit zou de mogelijkheid inbrengen om ook interactievere colleges als webcollege uit te brengen.

Op dit moment vraag ik me overigens af of ik zelf op korte termijn in zee zou gaan met weblectures. Er wordt op dit moment op ons instituut nog hard nagedacht over het verplicht stellen van laptops voor studenten. Persoonlijk denk ik dat dit meer didactische mogelijkheden en efficiëntiewinst biedt dan weblectures. Bovendien zou het de opzet van mijn lessen dusdanig veranderen dat een weblecture lastig te realiseren valt. Maar wie weet.


Nakijken

8 april 2009

Het is de afgelopen week stil geweest op mijn blog, en dat zal ook nog wel even zo blijven. We zitten namelijk midden in de nakijkcarrousel, en die lijkt nu nog wel harder aan te komen dan gebruikelijk. Dat heeft mede met Pasen te maken – a.s. vrijdag valt natuurlijk uit, en maandag dan ook alweer. Volgende week moeten de cijfers ingeleverd worden, dus ik werk nog even door als jullie het goed vinden…

Ik heb nog wel wat berichten in de pijplijn, dus ik hoop het daarna weer op te pakken. Ik wens iedereen alvast een goede Pasen! En vandaag een goede IPON, waar ik graag bij had willen zijn… Dus als iemand nog tips heeft voor sneller nakijken, dan graag. ;-)


ELO’s en de betekenis voor leren

24 maart 2009

Ik heb een kleine leesachterstand, dus ik las nu pas de entry op de blog van Marcel de Leeuwe, die mede als reactie op een opmerking van mij tot stand gekomen is. Op Twitter ontspon zich een discussie over de waarde van ELO’s, en wat nu precies een ELO is. Naast mij bleek ook Kaj Rietberg niet meteen van de positieve kanten van een ELO overtuigd (als ik dat zo mag zeggen Kaj).

Al jaren volg ik de ontwikkelingen rond ELO’s met de nodige scepsis. Dit stamt al uit de tijd dat ik ICTO coördinator/informatiemanager was bij de Faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Ons werd destijds min of meer gedwongen om Blackboard te gaan gebruiken, terwijl binnen de faculteit een prachtig intranetsysteem ontwikkeld was, wat relatief makkelijk uit te bouwen was tot wat je nu een ELO zou noemen.

Ik geef toe, mijn mening is hierdoor niet geheel neutraal. En toch ook gestoeld op argumenten. Want: het invoeren van een ELO is (veel) meer dan het binnenhalen van een stuk techniek. Een ELO moet het onderwijs ondersteunen en faciliteren. Je moet je daarom voor implementatie goed afvragen waar je met het onderwijs naar toe wilt, en de keuze van een ELO daarop aanpassen. Juist dat wordt vaak vergeten – en zeker in het geval van de UvA werd die slag overgeslagen.

Feitelijk bleek Marcel echter mijn mening over ELO’s in grote lijnen te delen. In één van de commentaren wordt dan wel geroepen dat BSCW, een omgeving die wij hier met redelijke tevredenheid gebruiken, moet verdwijnen (Ban de PPT/PDF/DOC omgevingen!), hij stelt feitelijk ook dat zo’n omgeving wel degelijk onderdeel kan uitmaken van een ELO.

En zo haal ik ruim 10 jaar na dato toch nog een beetje mijn gram. (Overigens heeft het bovenstaande ook implicaties voor portfolio’s, maar daarover een andere keer meer.)


Toetsmiddag

17 maart 2009

Over twee weken gaan wij met ons team een middag besteden aan toetsen. Niet voor het eerst dat dit gebeurt, maar het blijkt belangrijk hier aandacht aan te blijven besteden. Het samenstellen van een goede toets is een wetenschap op zich – en niet iedereen heeft hier evenveel ervaring mee. Bovendien werken wij in ons team, vanwege onze grote studentenpopulatie, vooral met meerkeuzetoetsen – en het maken van een goede meerkeuzetoets is moeilijker dan het lijkt.

We hebben daarom de afdeling OrO (Onderwijsresearch en Onderzoek) gevraagd om ons hierin te trainen. Gisteren hadden we een eerste overleg met de mensen van OrO om dit verder invulling te geven. Belangrijke voorwaarde van onze kant is om deze middag praktijkgericht in te vullen. Niet iedere docent wordt gelijk enthousiast van begrippen als p-waarde, itemcorrelatie en variatie; het is bovendien niet noodzakelijk om al deze begrippen te kennen en toch een goede toets samen te kunnen stellen.

Grofweg wordt de middag onderverdeeld in drie onderdelen. In het eerste deel worden een aantal toetsbegrippen toepassingsgericht behandeld. Hierbij is ook aandacht voor de wijze van vraagstelling. Waarom is het niet handig om twee stellingen te bevragen in 1 vraag? Waarom betekent het helder stellen van een vraag niet meteen dat de vraag makkelijker wordt? In het tweede deel van de middag gaan we vervolgens op basis van deze kennis met eigen toetsen praktisch aan het werk. Hoe kunnen we onze eigen toetsen nog verder verbeteren?

Persoonlijk ben ik er van overtuigd dat we ook nog veel kwaliteitswinst kunnen halen door competenties, leerdoelen en toetsdoelen explicieter te maken en beter te koppelen. Dit wordt ook wel toetsmatrijs genoemd, en kun je realiseren met bijvoorbeeld de taxonomie van Bloom waarover Erwin de Beer recentelijk blogde. Uiteindelijk kun je hiermee vele kanten op, maar mij gaat het vooral om om duidelijker te maken wat je wil toetsen, en hoe je dit in niveaus onderverdeelt – kennis, inzicht en vaardigheden dus. Hier gaan we tijdens de middag ook tijd aan besteden, maar eerlijk gezegd denk ik dat we de handen vol hebben aan de eerste twee delen. Wat mij betreft gaan we dit dan reserveren voor een vervolgbijeenkomst.

Tot slot een link naar een boek dat ik zelf altijd prettig vind voor naslag: Toetsen in het hoger onderwijs. Ik weet dat veel mensen dit boek te theoretisch vinden, maar ik heb er zelf veel aan; voor praktijkgerichter alternatieven houd ik me aanbevolen.


Twitter vs. Yammer

11 maart 2009

Zoals al eerder op deze blog gemeld, ben ik een enthousiaste Twitteraar (of ‘tweep’, zoals je dan officieel heet). En inmiddels heb ik ook een aantal collega’s op Twitter mogen begroeten (al was ik niet de eerste, die eer gaat geloof ik naar @MadeleineGr). Dat is leuk, want zo hebben we toch een extra communicatie-medium aan ons arsenaal toegevoegd.

Ik ga niet al teveel woorden vuil maken aan de voordelen (en nadelen) van Twitter, daarover is de laatste paar weken al zoveel gezegd in de media. Voor mij is dat echter vooral kennisdeling: het delen van links, het stellen en beantwoorden van vragen, enzovoort. En dat ik door Twitter snel op de hoogte ben van allerhande (internationale) nieuwsontwikkelingen, dat is mooi meegenomen.

Een paar maanden geleden heb ik op aanraden van mijn netwerk (ik meen dat @EddeBu de aanstichter was) een Yammer account genomen. Yammer zou eigenlijk de ‘corporate’ tegenhanger van Twitter moeten zijn: het heeft dezelfde functionaliteit, maar dan in een beschermde omgeving. Dat werkt als volgt: je meldt je met je e-mail adres aan, en je toegang is dan beperkt tot het bedrijf waar je e-mail adres bijhoort. Werk je bijvoorbeeld bij shell.nl, dan kun je connecten met alle gebruikers met een @shell.nl e-mail adres.

Het is echter tot nu toe niet verder gekomen dan dat account. Wekenlang zat ik daar in mijn eentje, terwijl mijn Twitter-gebruik een hoge vlucht nam – en ik ook daar steeds meer collega’s mocht begroeten. Tot mijn verbazing verschenen in ‘mijn eenzame Yammer-hoekje’ opeens wel een aantal collega’s van vooral de afdeling Marketing & Communicatie, maar tot echte communicatie heeft dat tot nu toe niet geleid.

Sinds een aantal dagen vraag ik mij wat actiever af hoe ik dat kan veranderen, en *of* ik dat wel moet willen veranderen. Immers, enthousiaste collega’s zitten al op Twitter – en ik heb ook nog niet echt situaties gehad waarin ik informatie wilde afschermen, alleen voor Hogeschool-ogen zichtbaar wilde laten zijn. En ik vrees dat die docenten die een drempel hebben voor Twitter, diezelfde drempel voelen voor Yammer. ‘Kennis delen? Dat doen we toch al? Daar hebben we toch niet het internet voor nodig?’

Waar ik naar zoek is een USP voor Yammer, iets wat mensen over de drempel kan helpen. Wie helpt mij uit de brand?


Practicum raamwerk

9 februari 2009

Vorige week is de minor Redactie en Productie voor Televisie weer begonnen. In deze minor worden studenten opgeleid tot het werken voor de televisie, in al haar facetten. In de praktijk betekent dat dat de studenten te maken krijgen met alle rollen die bij een televisieproductie komen kijken: redactiewerk, maar ook camera, studio, regisseren en het monteren van instarts.

Mijn rol daarin zijn de practica Digitale Videomontage. De studenten leren hierin te werken met Final Cut Express. De lessen in dit practicum lijden aan een fenomeen dat ik vaker tegenkom bij het onderwijs in tools: de tools geven een soort vertroebeld beeld op de werkelijkheid. Aan de ene kant zijn ze zo gebruiksvriendelijk dat iedereen het gevoel heeft het programma snel te beheersen; aan de andere kant hebben ze zoveel mogelijkheden, dat ze snel verworden tot een soort digitale speeltuin – kijk eens meneer, zonder handen!

Aan de docent dus de schone taak dit alles in goede banen te lijden. Daar zijn wij voor! Toch heb ik in de drie maal dat ik dit vak heb mogen geven, de ideale werkvorm nog niet gevonden. Het wordt elke keer beter, dat zeker; maar er blijven situaties voorkomen dat ik mogelijkheden aan het programma uitleg die ik dan in de instarts terugzie, op een manier die ik eigenlijk niet wil. (Lees: verschrikkelijke effecten bij de overgangen tussen scenes, die ik nog niet in een derderangs live voetbalreportage wil zien…)

Vandaar dat ik de module voor de derde keer ga herzien. De eerste stappen zijn inmiddels gezet. Ik wil graag nog meer uit kunnen leggen aan de hand van praktijkmateriaal. Met de docent Inhoudelijke montage heb ik daarom afspraken gemaakt over materiaal wat in die lessen geschoten wordt, wat dan weer tijdens de practica ingezet gaat worden als oefenmateriaal. Ook heb ik met hem afgestemd over de wijze waarop er met dat materiaal geoefend moet worden. Ik ben heel benieuwd, en zal jullie de komende weken laten meegenieten met mijn worsteling.


MIMblog

20 december 2008

Even een schaamteloze plug: met ingang van vandaag zal ik ook op gezette tijden actief zijn op de blog van mijn instituut, de MIMblog. Ik zal daar vooral over mediagerelateerde zaken bloggen, maar soms zal het ook over meer onderwijsgerelateerde zaken gaan – waardoor enige overlap onvermijdelijk is. In die gevallen zal ik hier vermoedelijk een link gaan posten.


Portfolio: nieuwe wijn in oude zakken?

11 december 2008

Bij ons op het instituut wordt al een aantal jaar gesproken over het invoeren van een digitaal portfolio voor eerstejaars studenten (bij één van onze afstudeerprofielen is al langer een portfolio in gebruik). Om meerdere reden komt dit niet van de grond: zo waren er implementatieproblemen met het portfolio waarvoor gekozen, maar belangrijker was misschien nog het feit dat ons instituut maar bleef groeien en de implementatie daarmee een helse klus is.

Naar mijn mening is een portfolio namelijk niet iets wat je zomaar even implementeert: infrastructuur moet worden ingericht, docenten moeten geschoold worden, en last but not least: het onderwijsprogramma moet er op worden aangepast. Persoonlijk heb ik het gevoel dat dit laatste vaak niet gebeurt, en vandaar de kop van dit artikel.

Er steekt bij mij nog wat meer achter: ik heb vaak het gevoel dat bij digitale portfolio’s ook niet goed nagedacht wordt over de waarom-vraag. Bij veel portfolio’s vraag ik me af of er goed is nagedacht over de volgende vragen:

  • Waarom kiezen voor een digitaal portfolio, en wat voegt het toe aan het onderwijs?
  • Is het een middel om het onderwijs te verbeteren, zaken te vereenvoudigen voor student en/of docent, of wordt het van hogerhand opgedragen?
  • Wordt het gebruik van het portfolio geëvalueerd?