MIMblog

20 december 2008

Even een schaamteloze plug: met ingang van vandaag zal ik ook op gezette tijden actief zijn op de blog van mijn instituut, de MIMblog. Ik zal daar vooral over mediagerelateerde zaken bloggen, maar soms zal het ook over meer onderwijsgerelateerde zaken gaan – waardoor enige overlap onvermijdelijk is. In die gevallen zal ik hier vermoedelijk een link gaan posten.


Hoe interactief kan een een college zijn?

18 december 2008

Soms kom je op vragen waarvan je niet eens wist dat ze bestonden. Deze vraag is er zo één. Want uiteraard kan een college heel interactief zijn. Toch?

Nou ja, binnen randvoorwaarden uiteraard. Interactiviteit heeft een bovengrens qua aantal studenten. Waar die ligt is moeilijk aan te geven; sommige docenten slagen er nog in om bij grote groepen heel interactief te zijn, terwijl bij andere docenten die grens veel lager ligt. In elk geval is het duidelijk dat hoe groter de groep is, hoe moeilijker het is om het initiatief ‘terug te pakken’ zodra je het aan de groep overgeeft. Daarnaast is het duidelijk dat sommige werkvormen beter functioneren bij kleinere groepen. In grotere groepen voelen mensen zich over het algemeen minder veilig, laten ze minder snel het achterste van hun tong zien.

Toch was ik wel enigszins verrast door een aantal docentreacties toen ik een college ontwerptechnieken (binnen de module Multimedia) had omgewerkt naar een volledig interactieve vorm. De belangrijkste vraag die daarbij gesteld werd was: kunnen we dit doen voor deze groepsgrootte? Moeten we deze werkvorm niet reserveren voor kleinere groepen?

Ik was hier enigszins door verrast. Het leek mij dat wanneer je als docent interactiviteit kunt bewerkstelligen, de groepsgrootte van minder belang is. Voor alle duidelijkheid: binnen het vak Multimedia moeten de studenten in groepen een product opleveren, en ieder college bestond uit 6 van die groepen – maximaal 50 studenten in totaal. We lieten meerdere ontwerpinstrumenten de revue passeren en uitvoeren door de studenten, zoals een aantal vormen van brainstorming. Het idee was dat deze ontwerptechnieken door de studenten gebruikt zouden kunnen/moeten worden binnen hun eigen groep.

Ik had het ook prettiger gevonden wanneer ik steeds met één groep intensief met die werkvormen aan de gang kon, maar ik zag geen beletsel om het ook voor meerdere groepen tegelijk te doen. Wat zegt de wetenschap hierover? Wat zijn de ervaringen van collega’s elders? Zijn hier bovengrenzen aan te geven?


Toekomstperspectief

17 december 2008

Een wat melodramatische titel, maar ik kon het niet laten zo aan het eind van 2008. :-) In een gesprek met mijn manager gisteren heb ik een aantal plannen voorgelegd, een aantal taken waar ik uren voor wilde. En eigenlijk zijn al deze eisen ingewilligd. Niet allemaal even concreet, maar het begin is er.

Om kort te gaan was ik op zoek naar mogelijkheden om naast mijn docentschap ook mijn onderwijskundige achtergrond effectiever te kunnen inzetten voor ons instituut. Ik krijg nu ruimte voor:

  • Het doorlichten van het ICT-curriculum van onze opleiding, uiteraard te beginnen in de propedeuse (dit inclusief een aantal uren)
  • Het zoeken naar een methode om mijn kennis van/gedachten over onderwijsontwerp effectiever in te zetten
  • Het op schrift stellen van een aantal quick wins die we kunnen realiseren op het gebied van ICT in onderwijs

Verder mag ik ook op zoek naar een cursus op het gebied van coaching, en mag ik nog wat actiever naar congressen op zoek – al blijft het natuurlijk altijd een probleem dat de lessen daar dan op afgestemd moeten worden.

Verwacht dus de komende tijd meer blogposts over deze onderwerpen. :-)


Criterialijst

16 december 2008

Don’t take things for granted. Dat bleek deze week maar weer toen ik een collega een beoordelingsinstrument liet zien dat ik gebruik voor een vak. Dit vak wordt getoetst door middel van een groepsopdracht, en vanwege onze studentenaantallen zijn er ongeveer 10 docenten die dit vak nakijken.

Om de variatie in wijze van beoordelen zoveel mogelijk te beperken (de interbeoordelaarsvariabiliteit heet dat geloof ik) heb ik een lijst met beoordelingscriteria opgesteld voor dit vak. Tot zover niets nieuws. Wat voor een collega nieuw bleek was de wijze waarop ik die variatie probeer te beperken. Behalve door middel van het organiseren van een briefing, verwerk ik in in de criterialijst zelf in Word namelijk comments, waarin ik aangeef wanneer exact er (halve) punten moeten worden afgetrokken.

Met de gedachte dat er misschien nog meer mensen zijn die hier hun voordeel mee kunnen doen, heb ik een lege versie van zo’n criterialijst op mijn blog gezet. Wanneer je deze lijst bekijkt, valt je verder wellicht nog op dat er een zg. voorwaarde voorkomt op de lijst. Feitelijk zijn dit eisen waaraan de student moet voldoen – zijn deze niet aanwezig, dan wordt de opdracht niet nagekeken. Vandaar – in dit geval – de 10 punten aftrek.


MindMeister

12 december 2008

Via de blog van Marcel de Leeuwe, www.leerbeleving.nl, heb ik beslag kunnen leggen op een MindMeister account. MindMeister is een tool voor online mind mapping. Ik heb dit gedaan door te vertellen over de wijze waarop wij mindmapping gebruiken voor onze eerstejaars studenten.

Ik ga eens even goed kijken naar de mogelijkheden van de tool, en daar op mijn blog over berichten. Ook hoop ik aandact te kunnen besteden aan MindMeiser vs. Mind Manager Pro. De laatste gebruiken wij aan de HvA. Ook wil ik in een uitgebreider bericht vertellen over de manier waarop wij mindmapping voor onze eerstejaars gebruiken.


Portfolio: nieuwe wijn in oude zakken?

11 december 2008

Bij ons op het instituut wordt al een aantal jaar gesproken over het invoeren van een digitaal portfolio voor eerstejaars studenten (bij één van onze afstudeerprofielen is al langer een portfolio in gebruik). Om meerdere reden komt dit niet van de grond: zo waren er implementatieproblemen met het portfolio waarvoor gekozen, maar belangrijker was misschien nog het feit dat ons instituut maar bleef groeien en de implementatie daarmee een helse klus is.

Naar mijn mening is een portfolio namelijk niet iets wat je zomaar even implementeert: infrastructuur moet worden ingericht, docenten moeten geschoold worden, en last but not least: het onderwijsprogramma moet er op worden aangepast. Persoonlijk heb ik het gevoel dat dit laatste vaak niet gebeurt, en vandaar de kop van dit artikel.

Er steekt bij mij nog wat meer achter: ik heb vaak het gevoel dat bij digitale portfolio’s ook niet goed nagedacht wordt over de waarom-vraag. Bij veel portfolio’s vraag ik me af of er goed is nagedacht over de volgende vragen:

  • Waarom kiezen voor een digitaal portfolio, en wat voegt het toe aan het onderwijs?
  • Is het een middel om het onderwijs te verbeteren, zaken te vereenvoudigen voor student en/of docent, of wordt het van hogerhand opgedragen?
  • Wordt het gebruik van het portfolio geëvalueerd?

Toetsen

8 december 2008

Ik wil graag een lans breken voor het belang van toetsen. Niet iedereen legt wellicht de link met onderwijsontwerp, maar die is er wel. Dat zal ik uitleggen.

Al vrij snel na mijn indiensttreding bij de Hogeschool van Amsterdam, ben ik betrokken geraakt bij de toetscommissie van de propedeuse. De toetscommissie bewaakt de kwaliteit van de toetsen binnen de propedeuse. Dit kunnen tentamens zijn, maar ook de toetsingscriteria die bij individuele opdrachten worden gehanteerd.

Onze eerste stap was ervoor zorgen dat alle tentamens binnen de propedeuse door ons gezien werden. Gezien de massaliteit van ons instituut (we zijn dit jaar gestart met 1300 eerstejaars) betreft dat vooral multiple-choice tentamens. Voor die tentamens hebben wij een checklist geformuleerd met een aantal vuistregels voor toetsvragen die van tevoren met docenten worden gecommuniceerd. Bovendien bekijkt de toetscommissie de toets, om in een gesprek met de docent suggesties te doen ter verbetering. De toets mag pas naar het onderwijsbureau nadat hij door de toetscommissie is gezien.

Het maken van toetsen wordt veelal onderschat. Een toets is maar al te vak sluitstuk: eerst wordt onderwijs ontwikkeld, en daarna pas de toets. Dit zou andersom moeten zijn: pas als je weet welke kennis je wilt toetsen, en hoe, kun je je onderwijs gaan vormgeven. Zover zijn we nog lang niet, maar we streven ernaar om op korte termijn docenten eerst de toets te laten ontwikkelen. Op die manier wordt je toets dus een onderwijsontwerpend instrument.

Uiteraard zijn binnen ons instituut nog meer toetscommissies actief. Onze opleiding heeft vijf afstudeerprofielen, dus inclusief de propedeuse zijn er 6 toetscommissies. Toen de toetscommissies een paar jaar geleden werden opgericht, zijn we gezamenlijk begonnen. De activiteiten van de diverse toetscommissies zijn echter wat uit elkaar gegroeid, dus we bevinden ons nu op een moment om dat weer meer te coördineren, naar elkaar toe te laten groeien. Voor de toetscommissie in de propedeuse betekent dit dat we ook gaan kijken naar toetsingscriteria voor praktijkopdrachten.

Waar ik nu zo benieuwd naar ben is hoe andere hogescholen/universiteiten dit regelen. Ik denk dat er nog veel te leren valt van elkaars inspanningen. Wie is er bijvoorbeeld bezig met de toetscriteria voor individuele opdrachten? Wat zijn de kwaliteitscriteria die diverse instituten aanleggen? Bij welke hogescholen worden toetsen ontwikkeld voordat de lessen worden vormgegeven?


Politiek en onderwijs: negatieve reflexen

6 december 2008

Even een kort item over een voorval dat mijn bloed nogal woest heeft doen kolken de afgelopen twee dagen: de negatieve reflex waarin de meeste politieke partijen schieten wanneer er ook maar iets uitgesproken wordt wat riekt naar vernieuwing van onderwijs. Na Dijsselbloem is het devies: handen af van het onderwijs.

De meeste mensen met hart voor onderwijs zullen wel weten waarop ik doel, maar indien niet: in een brief aan de Tweede Kamer besteedt minister Plasterk aandacht aan de huidige vroege selectie in het Nederlandse onderwijsstelsel. Deze brief licht hij verder toe in een interview met de Volkskrant. Politieke partijen buitelen over elkaar heen om maar snel te benadrukken dat de basisvorming niet terug moet komen.

Mijn mening: je kunt je afvragen of de timing van minister Plasterk briljant is, en de woordkeuze verstandig. Maar Dijsselbloem kan toch niet betekenen dat er niks meer moet gebeuren in het onderwijs? De constatering dat de politiek in principe niet in moet grijpen in het onderwijs betekent toch niet automatisch dat alles in het onderwijs oké is? Sterker nog, er zijn aanwijzingen (en dan zeg ik het heel voorzichtig) dat de vroege selectie niet goed is. In een onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam worden door onderwijskundige Maurice Crul cijfers gepresenteerd die ook volgens deze onderzoeker ‘eens te meer bewijzen dat je kinderen kansen ontneemt als je hen op jonge leeftijd indeelt in verschillende niveaus’. Ook de OESO schijnt zich al eens te hebben uitgesproken voor latere selectie.

Maar nee, de politiek wil het liefst alles bij het oude laten. Zelfs de SP, alleen D66 en GroenLinks juichen de stap van de minister toe. De teneur van de reacties? Nee, niet de basisvorming terug. Maar dat heeft de minister niet gezegd! Kortom, visie is weer eens ver te zoeken – men maakt zich alleen druk om de invloed die het op de stemmen kan hebben, of is domweg niet in staat om te beseffen dat ook inhoudelijk debat zinvol zou kunnen zijn.

Op deze manier vrees ik voor de toekomst van het Nederlandse onderwijs.

Update. Op de site van de Volkskrant loopt een poll over dit issue. Met ruim 3000 reacties, kiest 75% partij voor minister Plasterk. Vergist de politiek zich in haar electoraat?


Ontwerpen: docenttaak of niet?

5 december 2008

Een post op de blogvan Helikon triggerde bij mij deze post. Daar wordt geschreven over één van de proefballonnen van minister Plasterk, te weten het zelf ontwikkelen van digitaal lesmateriaal door docenten. Nu ben ik er niet ingedoken welke leraren Plasterk bedoelt (interessante discussie op zich – in de media wordt veelal van het generieke ‘docenten’ of ‘leraren’ gebruikgemaakt – zonder verdere aanduiding om welk schooltype het gaat), maar de proefballon raakt aan een fundamentele vraag die ik me de laatste tijd stel – namelijk wie verantwoordelijk is voor onderwijsontwerp.

De belangrijkste keus daarbij is: doen docenten dit zelf, of dient dit te gebeuren door gespecialiseerde onderwijsontwerpers. In HBO-land komen deze stromingen beide voor (en alles ertussen uiteraard): bij mijn eigen HvA wordt dit overgelaten aan de docenten (meestal de module-coördinator), terwijl bij de Hogeschool InHolland vaak een raamdocument wordt opgesteld. Dit raamdocument kan dan naar eigen smaak worden ingevuld door individuele docenten maar de basis staat dus al vast.

In mijn dagelijkse beroepspraktijk merk ik dat het ontwerpen van een lessenreeks of zelfs maar individuele lessen, een enorm lastige klus is, waar ik vaak mee geworsteld heb. Ik denk dat dat voor veel mijn collega’s niet anders is. Dat pleit dus voor het overlaten van lesontwerp aan specialisten, en onderstreept het punt van Fons van den Berg van Helikon, dat veel docenten zelf niet in staat zijn om lesmateriaal te ontwikkelen (de discussie over tijd laat ik vooralsnog buiten beschouwing).

En dan ben ik nog wel opgeleid ben als onderwijskundige. Echter: ik heb me de laatste tijd vaak afgevraagd of dit voor mij een voor- of een nadeel is. Ik weet namelijk wel heel goed hoe het in theorie moet, maar de praktijk is een stuk weerbarstiger. Ik slaag er wel steeds beter in om de theorie in praktijk te brengen, maar dit heeft me een behoorlijke tijd gekost.

Overigens is de situatie in het HBO in zoverre anders, dan veel HBO-docenten verplicht een cursus didactiek volgen, waarin ook aandacht besteed wordt aan cursusontwerp. Natuurlijk is deze opleiding veel minder zwaar dan een eerste- of tweedegraads lerarenopleiding, maar het gebied ontwerp komt uitgebreid aan de orde. Deze cursus heeft me in belangrijke mate ondersteund in het vinden van het midden tussen de koninklijke weg (zoals dat in de cursus genoemd werd, de theorie dus) en de praktische weg.

Mijn overtuiging? Het is een docententaak, met de juiste ondersteuning. Over die ondersteuning later meer.


Start

1 december 2008

Juist. Dat is het. Niets meer en niets minder. Mijn start als blogger.

Wie ik ben? Dirk Paul Flach. 40 Jaar. Onderwijskundige. Een aantal jaar bij de UvA gewerkt, een aantal functies rond wat men nu e-learning zou noemen; daarna vijf jaar consultant ICT bij een klein adviesbureau in Haarlem. Sinds ruim twee jaar weer terug in het onderwijsveld, nu met de poten in de klei: docent ICT bij het Instituut voor Media en Informatie Management van de HvA.

Waarom de blog? Goede vraag. Al die jaren niet geblogd, en nu opeens wel. Twee redenen denk ik: allereerst mijn aanwezigheid op de Surf Onderwijsdagen, twee weken terug. Daar merkte ik dat er op onderwijsgebied veel meer geblogd werd dan ik dacht, en dat maakte me enthousiast. Ten tweede mijn (nog een beetje verborgen wens) om mijn oude stiel weer op te pakken: onderwijsontwerp.

Op dat gebied ga ik hier bloggen. En mocht het onderwerp u aan het hart liggen, of behoefte hebben aan input op dat gebied: neem vooral contact met mij op. E-mail onderaan deze pagina. Op termijn zou ik ook graag weer buiten de hogeschool actief worden op het gebied van onderwijsontwerp. Ik houd me dus aanbevolen, en denk graag mee.

Binnenkort meer.

dirkpaul at gmail dot com