Accreditatie en toetsen

25 november 2009

Onze instelling moet het komend jaar geaccrediteerd worden. Het zal duidelijk zijn dat daar het nodige van afhangt, en deze accreditatie wordt dan ook grondig voorbereid. Op diverse punten zijn we bezig om ons onderwijs nog beter te organiseren.

Eén van de speerpunten van de accreditatie zal het toetsbeleid zijn. Gelukkig zijn we binnen onze instelling al een paar jaar hard bezig om de kwaliteit van onze toetsen te verbeteren, en vanuit de toetscommissie van de propedeuse probeer ik daar mijn eigen bescheiden bijdrage aan te leveren. Voor het grootste deel vind ik dit leuk werk. Het kost veel tijd, en het is soms vermoeiend en een enkele keer frustrerend, maar het levert ook mooie resultaten op.

Sinds een aantal maanden is er ook een centraal overleg, waarin alle toetscommissies van de profielen samenwerken en zich richten op verbeterpunten voor de accreditatie. Een goeie zaak natuurlijk, want toetscommissies kunnen onderling veel van elkaar leren, en we zouden er ook naar moeten streven dat de werkzaamheden op elkaar worden afgestemd.

Deze week ‘mocht’ ik voor het eerst naar dit overleg. Ik moet zeggen dat ik lichtelijk teleurgesteld was. We zijn een uur kwijt geweest aan een discussie over de archivering van toetsen. Voor de accreditatie is dit heel erg belangrijk, maar een discussie over de wijze waarop toetsen gearchiveerd worden, wie daarvoor verantwoordelijk is en wat die verantwoordelijk precies behelst, is toch niet mijn hobby. Het moet gebeuren, dat weet ik ook, maar ik ben graag bezig met de kwaliteit van de toetsen.

Dan is het goed te weten dat we daar wel hard mee bezig zijn. Ik durf een aantal zaken wel op het conto van de toetscommissie propedeuse te schrijven, zoals:

  • de kennis over toetsen wordt steeds groter onder collega’s
  • we zijn steeds beter in staat om de constructie van toetsen te begeleiden
  • eerste en tweede kansen worden tegelijkertijd gemaakt

En zo zijn er nog wel meer aspecten. Vooralsnog richten we ons vooral op meerkeuze-toetsen, omdat daar binnen de propedeuse het zwaartepunt van de toetsing ligt. Op korte termijn zullen we echter ook andere aspecten van de toetsing gaan oppakken.


Flipperdeflip…

24 november 2009

Langzamerhand kunnen we met onze propedeuse-studenten technisch gesproken een beetje de diepte in. In de eerste periode hielden we ons nog heel erg bezig met basis-computervaardigheden, vanaf nu mogen de studenten ook echt iets maken. We vragen ze namelijk om voor het project van de tweede periode een filmpje te maken.

Hiervoor is een aantal Flip-videocamera’s aangeschaft. Afgelopen week mochten de studenten tijdens een college hier even mee experimenteren, en vanaf volgende week gaan ze met deze camera’s echt opnames maken. Ze zullen voor Beeld en Geluid namelijk de door hen voorgestelde oplossing moeten gaan visualiseren.

Voor veel studenten is dit de eerste keer dat ze echt iets moeten filmen. In de colleges van deze en vorige week krijgen ze daarom een spoedcursus video, met veel aandacht voor de techniek (cameravoering, -perspectieven, licht etc.) en voor het proces van het ontwerpen van een film: concept, scenario en storyboard. Over twee weken zullen ze met behulp van Microsoft MovieMaker gaan monteren.

Volgens mij zijn de studenten er klaar voor. Ze zijn in elk geval enthousiast gestart met het bedenken van ideeën, en ook het uitproberen van de camera vond men erg leuk. We zullen zien waar dat toe gaat leiden.


Selectie en loting

13 november 2009

Op ons instituut is het afgelopen jaar een numerus fixus ingevoerd. De afgelopen jaren nam de instroom van nieuwe studenten namelijk exponentieel toe; tot bijna 1300 studenten in het cursusjaar 2008-2009. De meeste collega’s wilden die groei graag een (gedeeltelijke) halt toeroepen. Ook ik hoorde tot die groep. Het leek zeer aantrekkelijk om je instroom te kunnen begrenzen; wanneer je van tevoren weet hoeveel studenten je kunt verwachten, wordt je onderwijs opeens een stuk beter te plannen.

Om dit te bereiken is over verschillende systemen gediscussieerd, van de nu ingevoerde numerus fixus tot het houden van selectiegesprekken. Woensdag verscheen in de Volkskrant het artikel ‘Selecteren is beter dan loten‘, dat feitelijk pleit voor selectie. Deze uitkomst vond ik niet verbazend. Selectie lijkt een interessante mogelijkheid, maar is zeer arbeidsintensief en met onze aantallen praktisch misschien wel onuitvoerbaar. Bij ons is dus gekozen voor een numerus fixus.

Eind goed, al goed, zou je zeggen. De praktijk is echter wat weerbarstiger. Ik zal jullie de details van dat systeem besparen, mede omdat ze mij ook niet volledig bekend zijn. Ik weet echter wel dat de numerus fixus een zeer complex systeem is, dat zeker ook nadelen heeft. Mede door de werking van het systeem hadden we bij de start van ons cursusjaar opeens minder studenten dan het aantal dat begroot was. En dus zal het heel moeilijk zijn om je aantal exact te begrenzen, wat je uiteindelijk graag wil vanwege de roostering.

Mijn angst was tot nu toe dat we, door het lagere studentenaantal, de numerus fixus voor komend jaar weer in zouden kunnen trekken. Die angst is tot nu toe ongegrond, voor volgend jaar is hij weer aangevraagd. En waarom zou je hem ook intrekken: veel collega’s hebben het gevoel dat we door loting (gemiddeld gesproken) betere en serieuzere studenten hebben. Het zou overigens wel gemakkelijk te verklaren zijn: er bestaat ook onderzoek dat wijst op een correlatie tussen vroeg inschrijven en studieprestaties.


De kop is er af

11 november 2009

De trein is niet meer te stoppen: de kick-off van het project Beeld en Geluid is achter de rug. Gister togen zo’n 650 studenten van onze opleiding naar het instituut voor Beeld en Geluid. Daar kregen ze het eerste college van het project, en tegelijkertijd de mogelijkheid deze schatkamer van de Nederlandse historie eens van dichtbij te bekijken.

Doel van dit eerste college was vooral om de opdracht te verduidelijken. Wat is de organisatie van het project, en waar wil Beeld en Geluid eigenlijk naar toe? Bij een studentenpopulatie van deze omvang is het namelijk erg belangrijk om scherp te communiceren – iedere afwijking van de boodschap is achteraf erg lastig te herstellen. Ik denk dat we er goed in geslaagd zijn om de opdracht scherp neer te zetten.

Naast dit ‘officiële’ doel hoop je uiteraard ook dat studenten enthousiast worden door eens rond te kunnen lopen bij Beeld en Geluid. Iedere media-student hoort hier natuurlijk geweest te zijn. Iedereen werd dan ook in de gelegenheid gesteld om de Experience te bezoeken; daarnaast waren rondleidingen door het archief van Beeld en Geluid georganiseerd.

Een leuke opsteker was de feedback die we van deze rondleiders terugkregen: zij vonden de studenten erg geïnteresseerd, en gaven aan dat er veel vragen gesteld werden. Met zo’n goede start kan het hopelijk niet meer mis.


Aftellen

9 november 2009

Het viel niet mee hoor, de afgelopen weken. Ik heb af en toe met het zweet in mijn handen gestaan om het project klaar te hebben. Maar het staat nu – en we gaan morgen met alle propedeuse-studenten op bezoek bij het Instituut voor Beeld en Geluid. Best spannend, aftellen dus.

Wat was dan zo moeilijk? Om kort te gaan – waarschijnlijk gaan een control freak en zo’n groot project niet samen. Want het is bijna ondoenlijk om bij alles de touwtjes in handen te houden. Zo dacht ik me goed voorbereid te hebben voor het eerste overleg met de tutoren (de docenten die de studentengroepen begeleiden bij het uitvoeren van hun opdracht), en kwamen er toch nog vragen uit voor mij onverwachte hoek. Dat hebben we allemaal weer kunnen bijstellen, maar het geeft wel aan hoe wankel het evenwicht is in zo’n project – en dan vooral het evenwicht tussen theorie en praktijk.

Mede daarom heeft mijn blog er ook wat eenzaam bij gestaan. Ik beloof mijn leven te beteren, en af en toe eens te schrijven over het reilen en zeilen van dit project. Binnenkort bijvoorbeeld meer over dat evenwicht.


De wet van de remmende ICT-voorsprong

13 oktober 2009

Ik mag van mezelf graag zeggen dat ik een redelijk gevoel voor computers heb. Ik ben niet van het wereldvreemde type dat bij iedere muisklik, en de ermee samenhangende reactie van de PC, enthousiast uitroept: “Kijk! Hij begrijpt mij!”, maar ik weet redelijk goed hoe computers werken, en ben ook vrij goed in staat om een PC of Mac als middel te gebruiken om mijn doel te bereiken.

Misschien wel als gevolg daarvan, mag ik een breed bereik aan ICT-onderwijs geven aan onze studenten. Ik geef lessen over Word, Excel en PowerPoint, maar ook over Dreamweaver en InDesign – terwijl ik geen echte ICT-opleiding heb gevolgd (ik heb er nog een vak naast geleerd). Ik geloof dat ook een aantal collega’s denkt dat ik best wel wat kan met een PC, of in elk geval dat ik sneller een oplossing kan suggereren dan dat zij er zelf één kunnen bedenken.

Gelukkig is het nog steeds zo dat ik ook onze studenten wel het nodige heb te vertellen over ICT. Toch merk ik al een aantal jaar dat er wel sprake is van de wet van de remmende voorsprong: sommige studenten kunnen veel, en er zijn er ook altijd een paar die misschien wel meer kunnen dan ik. Gelukkig is dat tot nu toe nooit een probleem geweest, misschien mede doordat onze studenten, gemiddeld gesproken, niet erg graag met een computer werken.

Wat ik echter vooral ook merk, is een veranderende manier van kijken naar de computer – ook bij de studenten met weinig computer-ervaring. En dat is niet zozeer omdat de jongeren van tegenwoordig van het type Homo Zappiens zouden zijn, maar vooral omdat voor hen de computer een hele andere plaats inneemt in de samenleving. Immers, voor de meesten van ons geldt dat de computer op een bepaald moment ons leven binnenkwam – voor de studenten van nu geldt dat de computer er gewoon is - want hij was er al toen zij geboren werden.

Belangrijkste gevolg is dat het gebruiken van een PC veel vanzelfsprekender is. Men is van kinds af aan al gewend om met een computer te werken, en over veel aspecten van de gebruikersinterface zijn veel minder vragen. Natuurlijk zijn er studenten die niet weten wat de Windows Explorer is, of niet onthouden hoe je documenten van internet downloadt,  maar men ziet een PC veel meer als een middel om een doel te bereiken. En ja, dat verschil is ook merkbaar bij vergelijking met een ICT-docent als ik.

Mede daarom heb ik ook zo’n zin in het komende project, waarin studenten gaan onderzoeken hoe jongeren van 12 tot 17 media gebruiken, en de resultaten van dat onderzoek gaan gebruiken om volwassenen vanaf 35 jaar te gaan trainen in mediagebruik. Dat is heel in het kort de opdracht van het komende project. Binnenkort meer hierover.


Twitter en RSS

1 oktober 2009

Pierre Gorissen zal me er wellicht niet dankbaar voor zijn, gezien het feit dat deze post ook weer naar Twitter gaat – maar ik vond de discussie te interessant om voor mijn blog te laten lopen. Deze week namelijk ontspon zich op Twitter een interessante discussie over de voors en tegens van RSS en het posten van blog-website-updates op Twitter.

Geen discussie met een eind, want iedereen heeft zijn of haar eigen voorkeuren en dat is goed. De discussie dwong me echter wel mijn keuzes ten aanzien van RSS readers en Twitter nog eens goed te heroverwegen. Dan is het goed te merken dat ik me nog steeds goed voel bij mijn keuzes.

De mening van Pierre Gorissen en (onder andere) mijn reactie vind je hier. Ik probeer in mijn bijdrage aan de discussie ook de functie te verduidelijken die Twitter heeft in mijn online identiteit.


Voorbeelden personal branding

28 september 2009

Ik ben enthousiast over het feit dat er bij één van onze afstudeerprofielen in het SLB-programma aandacht is voor personal branding. Ik vind het zelf een leuk onderwerp, en bovendien denk ik dat het zeer nuttig is voor onze studenten. Ook leuk is dat de één van de auteurs van het boek dat we gebruiken, Tom Scholte, persoonlijk heeft gereageerd op mijn blog en dat we momenteel in gesprek zijn over de wijze waarop andere HBO’s dit in hun onderwijsprogramma verwerken.

Want meer voorbeelden blijk ik wel heel zinnig te vinden. Natuurlijk komt mijn enthousiasme voort uit het feit dat ik het zelf in een bepaalde mate inzet, en kan ik dat als voorbeeld aanhalen. Dat doe ik ook: daarmee kan ik laten merken dat ik er enthousiast over ben, en wat ik er persoonlijk mee kan. Ook staan er een aantal voorbeelden in het boek, die ik kan gebruiken.

Toch merk ik dat ik behoefte heb aan meer. Aan de ene kant kan ik me voorstellen dat het voorbeeld van een docent studenten wel enigszins vermoeit: ik sta immers wat verder weg van hun belevingswereld. Ook de voorbeelden in het boek zijn voor hen nog wat abstract: niet iedereen plaatst zich al even makkelijk in een beroepsmatige positie, ze moeten vaak nog wat schroom overwinnen.

Vandaar dat ik op zoek ben naar nog meer voorbeelden, waarmee ik de studenten zou kunnen prikkelen. Heb je leuke voorbeelden of ideeën, laat het me weten!


Stil maar, wacht maar…

23 september 2009

Dat ik oldskool ben had ik al eerder geconstateerd. Maar het is nu definitief: ook Havana geeft mij dat label. OK, ik heb het zelf gezegd, maar nu het zwart op wit staat oogt het wel heel onontkoombaar… maar: ik ben er nog trots op ook.

In het artikel wordt onder meer de vraag gesteld waarom het blog van ons instituut, het MIMblog, momenteel zo’n zieltogend bestaan leidt. Ik verwacht echter dat dit blog op niet al te lange termijn een interessante wedergeboorte zal ondergaan. Van old- naar newskool, zoiets.

Wil je het artikel van Havana lezen: blader door naar pagina 15 van de PDF.


Spanningsvelden in onderwijs

22 september 2009

Best een lastige klus, zo’n project. Ben op dit moment hard bezig met de voorbereiding. En ondanks het feit dat we een zeer coöperatieve opdrachtgever hebben, zijn er her en der een aantal spanningsvelden te ontwaren.

Om er een paar te noemen: allereerst is het natuurlijk zaak om de wensen van opdrachtgever en opdrachtnemer, als vertegenwoordigd door de school, met elkaar in overeenstemming te brengen. Bij ons op school wordt immers hoofdzakelijk gewerkt met ‘echte’ opdrachtgevers. En dat is mooi, want leerzaam en uitdagend voor de studenten. Maar een opdrachtgever werkt natuurlijk nooit helemaal belangeloos mee aan zo’n project, het moet ook wat opleveren. Dat wil wel eens bijten.

Wanneer je dat een beetje met elkaar in overeenstemming hebt, komt het volgende spanningsveld in zicht. Ook intern doe je het project immers niet alleen: er liggen de nodige vakken aan ten grondslag, en die vakken moeten de theorie behandelen die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de opdracht. Tegelijkertijd is er van tevoren bepaald welke kennis onze studenten moeten opdoen, dus het is niet zo dat ons onderwijs volledig in dienst van het project kan staan. (Idealiter wel natuurlijk, maar dat blijkt moeilijk vol te houden met echte opdrachtgevers.)

Dan zijn er ook nog spanningsvelden onderling: de onderwerpen en samenhang tussen de vakken moet goed afgekaart worden. Dat is op zich natuurlijk niet uniek voor een project, maar wel een speciale taak voor de projectcoördinator omdat hij of zij het volledige overzicht heeft (of hoort te hebben).

Pfft… ik word er flink moe van als ik het zo opschrijf. We komen er wel uit, maar ik moet er nog even stevig aan trekken.